Artikel 218, WIB 92
Art. 218, § 1, eerste lid, is van toepassing vanaf aanslagjaar 2019 verbonden aan een belastbaar tijdperk dat ten vroegste aanvangt vanaf 01.01.2018 (art. 11 en 17, 1ste lid, W 30.07.2018 - B.S. 10.08.2018; Numac: 2018031626)
[Elke wijziging die vanaf 26.07.2017 aan de afsluitingsdatum van het boekjaar wordt aangebracht, blijft zonder uitwerking voor de toepassing van de in dit hoofdstuk bedoelde bepalingen (art. 17, 7de lid, W 30.07.2018 - B.S. 10.08.2018; Numac: 2018031626)]
§ 1. De belasting berekend overeenkomstig de artikelen 215 tot 217 en de afzonderlijke aanslag bedoeld in artikel 219quinquies, met uitsluiting van het in artikel 413/1, § 1, beoogd gedeelte van de belasting, worden eventueel vermeerderd zoals vermeld in de artikelen 157 tot 168, ingeval geen of ontoereikende voorafbetalingen zijn gedaan.
Voor de toepassing van dit artikel mag de in artikel 161 bedoelde basisrentevoet niet lager zijn dan 3 %
In afwijking van de artikelen 160 en 165, vinden de beperking van de vermeerdering tot 90 % en de verhoging van de berekeningsgrondslag tot 106 % van de Rijksbelasting evenwel geen toepassing.
De bij artikel 163 bepaalde uitzondering op de vermeerdering is niet van toepassing.
§ 2. Ten name van een vennootschap die op grond van artikel 15, §§ 1 tot 6, van het Wetboek van vennootschappen als kleine vennootschap wordt aangemerkt, is geen vermeerdering verschuldigd op de belasting die betrekking heeft op de eerste drie boekjaren vanaf haar oprichting.
