Artikel 223, WIB 92

Art. 223 treedt in werking op 29.12.2014 en is van toepassing op alle geschillen die nog niet definitief zijn afgesloten op de datum van deze inwerkingtreding (art. 31 en 40, progW 19.12.2014 - B.S. 29.12.2014; Numac: 2014021137)


De rechtspersonen vermeld in artikel 220, 2° en 3°, zijn eveneens belastbaar ter zake van:

1° kosten als bedoeld in de artikelen 57 en 195, § 1, eerste lid en voordelen van alle aard als bedoeld in de artikelen 31, tweede lid, 2°, en 32, tweede lid, 2°, die niet worden verantwoord door individuele fiches en een samenvattende opgave;

2° de bijdragen en premies bedoeld in artikel 52, 3°, b, en 195, § 2, in zover zij niet voldoen, ofwel aan de grens bedoeld in artikel 53, 22°, ofwel aan de voorwaarden van en de grens bedoeld in artikel 59 en, wat de in artikel 195, § 2, bedoelde premies betreft, aan de voorwaarden van regelmatigheid bedoeld in artikel 195, § 1, tweede lid, de pensioenen, renten en andere als zodanig geldende toelagen bedoeld in artikel 52, 5°, in zover zij niet voldoen aan de voorwaarden van en de grens bedoeld in artikel 59 en de in artikel 53, 23°, bedoelde kapitalen;

3° de in artikel 53, 24°, bedoelde financiële voordelen of voordelen van alle aard.

4° een bedrag gelijk aan 17 % van het in artikel 36, § 2, bedoelde voordeel van alle aard voor het persoonlijk gebruik van een ter beschikking gesteld voertuig.

5° (...)

De in artikel 32 bedoelde bedrijfsleiders worden voor de toepassing van het eerste lid met werknemers gelijkgesteld.

De aanslag bedoeld in het eerste lid, 1°, is niet van toepassing als de belastingplichtige aantoont dat het bedrag van de voordelen van alle aard bedoeld in de artikelen 31, tweede lid, 2°, en 32, tweede lid, 2°, of van de kosten bedoeld in artikel 57 opgenomen is in een door de verkrijger overeenkomstig artikel 305 ingediende aangifte of in een door de verkrijger in het buitenland ingediende gelijkaardige aangifte.

De aanslag bedoeld in het eerste lid, 1°, wordt niet toegepast indien de verkrijger op ondubbelzinnige wijze werd geïdentificeerd uiterlijk binnen 2 jaar en 6 maanden volgend op 1 januari van het betreffend aanslagjaar.