Artikel 234, WIB 92
Art. 234, eerste lid, 6° en 7°, treedt in werking op 01.01.2020 en is van toepassing vanaf aanslagjaar 2021 verbonden aan een belastbaar tijdperk dat ten vroegste aanvangt op 01.01.2020 (art. 63 en 86, B2, W 25.12.2017 - B.S. 29.12.2017; Numac: 2017014414)
[Hoofdstuk 1, W 25.12.2017 (B.S. 29.12.2017; Numac: 2017014414) heeft inzonderheid de gedeeltelijke omzetting tot doel van richtlijn (EU) 2016/1164 van de Raad van 12 juli 2016 tot vaststelling van regels ter bestrijding van belastingontwijkingspraktijken welke rechtstreeks van invloed zijn op de werking van de interne markt en de omzetting van richtlijn (EU) 2017/952 van de Raad van 29 mei 2017 tot wijziging van Richtlijn (EU) 2016/1164 wat betreft hybridemismatches met derde landen (art. 2, W 25.12.2017 - B.S. 29.12.2017; Numac: 2017014414)]
[Elke wijziging die vanaf 26 juli 2017 aan de afsluitingsdatum van het boekjaar wordt aangebracht, blijft zonder uitwerking voor de toepassing van de in dit hoofdstuk bedoelde bepalingen (art. 86 D, W 25.12.2017 - B.S. 29.12.2017; Numac: 2017014414)]
Voor belastingplichtigen vermeld in artikel 227, 3°, wordt de belasting gevestigd:
1° op het deel van het nettobedrag van de huurprijs en de huurvoordelen van in België gelegen onroerende goederen dat meer bedraagt dan het kadastraal inkomen van die goederen, behoudens indien het betreft:
- goederen verhuurd aan een natuurlijke persoon die die goederen noch geheel noch gedeeltelijk gebruikt voor het uitoefenen van zijn beroepswerkzaamheid;
- goederen verhuurd overeenkomstig de pachtwetgeving en die door de huurder voor land- of tuinbouw worden gebruikt;
- andere goederen mits de huurder geen winstoogmerken nastreeft en die goederen worden gebruikt voor een van de bestemmingen vermeld in artikel 12, § 1;
2° op de bedragen verkregen bij vestiging of overdracht van een recht van erfpacht of van opstal of van gelijkaardige onroerende rechten met betrekking tot een in België gelegen onroerend goed, behoudens de uitzonderingen vermeld in het 1°;
3° op de bijdragen en premies bedoeld in artikel 52, 3°, b, en 195, § 2, in zover zij niet voldoen ofwel aan de grens bedoeld in artikel 53, 22°, ofwel aan de voorwaarden van en de grens bedoeld in artikel 59 en, wat de in artikel 195, § 2, bedoelde premies betreft, aan de voorwaarden van regelmatigheid bedoeld in artikel 195, § 1, tweede lid, op de pensioenen, renten en andere als zodanig geldende toelagen bedoeld in artikel 52, 5°, in zover zij niet voldoen aan de voorwaarden van en de grens bedoeld in artikel 59 en op de in artikel 53, 23°, bedoelde kapitalen;
4° op de kosten als bedoeld in artikel 57 en de voordelen van alle aard als bedoeld in de artikelen 31, tweede lid, 2°, en 32, tweede lid, 2°, die niet worden verantwoord door individuele fiches en een samenvattende opgave, tenzij:
- de belastingplichtige aantoont dat het bedrag van die kosten of de voordelen van alle aard begrepen is in een door de verkrijger overeenkomstig artikel 305 ingediende aangifte of in een door de verkrijger in het buitenland ingediende gelijkaardige aangifte;
- of, wanneer het niet is begrepen in een dergelijke aangifte, de verkrijger op ondubbelzinnige wijze werd geïdentificeerd uiterlijk binnen 2 jaar en 6 maanden volgend op 1 januari van het betreffend aanslagjaar;
5° op de in artikel 53, 24°, bedoelde financiële voordelen of voordelen van alle aard.
6° op een bedrag gelijk aan 17 %. van het bedrag zoals bepaald overeenkomstig artikel 36, § 2, eerste tot twaalfde lid, wanneer in artikel 65 bedoelde voertuigen, al dan niet kosteloos, voor persoonlijk gebruik ter beschikking zijn gesteld;
6°bis op een bedrag gelijk aan 17 % van het belastbare voordeel bepaald overeenkomstig artikel 33ter;
7° in afwijking van de bepaling onder 6°, op een bedrag gelijk aan 40 %. van het bedrag zoals bepaald overeenkomstig artikel 36, § 2, eerste tot twaalfde lid, wanneer in artikel 65 bedoelde voertuigen, al dan niet kosteloos, voor persoonlijk gebruik ter beschikking zijn gesteld en wanneer de brandstofkosten verbonden met dit persoonlijk gebruik geheel of gedeeltelijk door de rechtspersoon ten laste zijn genomen.
7°bis op een bedrag gelijk aan 40 % van het belastbare voordeel bepaald overeenkomstig artikel 33ter, wanneer de brandstofkosten verbonden met het persoonlijk gebruik van het vervangen voertuig geheel of gedeeltelijk door de rechtspersoon ten laste werden genomen;
De in artikel 32 bedoelde bedrijfsleiders worden voor de toepassing van het eerste lid met werknemers gelijkgesteld.
