Artikel 261, WIB 92
Art. 261, 3°, is van toepassing vanaf 10.01.2005 (art. 375, progW 27.12.2004 - B.S. 31.12.2004; Numac: 2004021170 - err. B.S. 18.01.2005)
De roerende voorheffing is verschuldigd en moet van de belastbare inkomsten worden ingehouden niettegenstaande elk hiermee strijdig beding:
1° door rijksinwoners, binnenlandse vennootschappen, verenigingen, instellingen, inrichtingen en lichamen, en aan de rechtspersonenbelasting onderworpen rechtspersonen die inkomsten van roerende goederen en kapitalen of loten van effecten van leningen verschuldigd zijn, zomede door aan de belasting van niet inwoners onderworpen belastingplichtigen die in België een inrichting hebben, op de resultaten waarvan inkomsten als vermeld in de artikelen 17, § 1, 2° tot 4°, en loten van effecten van leningen worden aangerekend;
2° door de in België gevestigde tussenpersonen die op enige wijze zijn betrokken bij de uitbetaling van inkomsten van roerende goederen en kapitalen van buitenlandse oorsprong of loten van effecten van leningen van buitenlandse oorsprong, tenzij hun wordt bewezen dat een vorige tussenpersoon de voorheffing heeft ingehouden;
3° door beheersvennootschappen, die zijn erkend door de Commissie voor het Bank-, Financie- en Assurantiewezen om één of meerdere in artikel 119quater van de wet van 4 december 1990 op de financiële transacties en de financiële markten vermelde fondsen voor belegging in schuldvorderingen te beheren, voor de door deze fondsen voor belegging in schuldvorderingen toegekende of betaalbaar gestelde inkomsten.
In afwijking van het eerste lid, 2°, worden kredietinstellingen en beursvennootschappen niet als tussenpersonen aangemerkt wanneer zij inkomsten als bedoeld in het genoemde eerste lid, 2°, betalen aan een in België gevestigde kredietinstelling, beursvennootschap of verrekenings- of vereffeningsinstelling die deze hoedanigheid verantwoordt.
