Artikel 345, WIB 92

Art. 345, § 1, eerste lid, 6°, is van toepassing op de vanaf 01.01.1997 tot stand gekomen verwerving of wijziging van de controle van een vennootschap (art. 43, KB 20.12.1996 - B.S. 31.12.1996; Numac: 1996003699)

§ 1. Een voorafgaand schriftelijk akkoord wordt door de administratie der directe belastingen gegeven omtrent het feit dat:

1° een verrichting als vermeld in de artikelen 46, § 1, eerste lid, 2°, 211, § 1, eerste lid, 269, zesde lid of 344, § 2, wel degelijk beantwoordt aan rechtmatige financiële of economische behoeften;

2° een voordeel verleend in de omstandigheden als vermeld in artikel 26 niet abnormaal of goedgunstig is;

3° een betaling als vermeld in artikel 54 wel degelijk beantwoordt aan een werkelijke en oprechte verrichting en dat zij de normale grenzen niet overschrijdt;

4° dividenden beantwoorden aan de voorwaarden van aftrek als vermeld in artikel 203;

5° voor de toepassing van artikel 344, § 1, de juridische kwalificatie aan rechtmatige financiële of economische behoeften beantwoordt;

6° een in artikel 207, derde lid, vermelde verwerving of wijziging van de controle van een vennootschap, beantwoordt aan rechtmatige financiële of economische behoeften.

Ontstentenis van antwoord vanwege de Administratie der directe belastingen binnen een door de Koning gestelde termijn, wordt gelijkgesteld met een voorafgaand akkoord.

§ 2. Het in § 1 bedoelde akkoord is aan de administratie der directe belastingen tegenstelbaar en bindt haar voor de toekomst, wanneer één van de hierboven vermelde verrichtingen haar te goeder trouw werden voorgelegd vóór de verwezenlijking ervan.

§ 3. De administratie is niet gebonden door dit akkoord:

- indien blijkt dat de verrichtingen onvolledig of onjuist werden beschreven door de belastingplichtige;

- indien ze niet werden verwezenlijkt op de wijze omschreven door de belastingplichtige.

De administratie houdt op gebonden te zijn door dit akkoord, wanneer de gevolgen van de verrichtingen gewijzigd zijn door één of meer andere daarop volgende verrichtingen waaruit blijkt dat de verrichtingen waarover het akkoord werd gegeven niet meer voldoen aan de in § 1 gestelde voorwaarden.

§ 4. De Koning bepaalt, bij een in Ministerraad overlegd besluit, de toepassingsregels van dit artikel.

De Koning zal bij de Wetgevende Kamers, onmiddellijk indien ze in zitting zijn, zoniet bij de opening van de eerstvolgende zitting, een ontwerp van wet indienen tot bekrachtiging van de ter uitvoering van dit artikel genomen besluiten.