Artikel 37bis, WIB 92
Art. 37bis, § 2, treedt in werking op 01.01.2021 en is van toepassing op de vanaf 01.01.2021 behaalde of verkregen inkomsten (art. 60 en 72, 2de lid, W 24.12.2020 - B.S. 31.12.2020; Numac: 2020205617; art. 72 gewijzigd door art. 128, W 21.01.2022 - B.S. 28.01.2022; Numac: 2022040046)
[Voor de toepassing van artikel 37bis, § 2, tweede lid van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 op de in het kalenderjaar 2021 behaalde inkomsten, worden de in het kalenderjaar 2020 behaalde inkomsten uit occasionele diensten tussen burgers als bedoeld in artikel 90, eerste lid, 1°ter, van datzelfde Wetboek, zoals het voor het kalenderjaar 2020 van toepassing was, in rekening gebracht om te bepalen of de jaargrens vermeld in voormeld artikel 37bis, § 2, tweede lid, voor het vorige kalenderjaar wordt overschreden (art. 67, W 24.12.2020 - B.S. 31.12.2020; Numac: 2020205617; treedt in werking op 01.01.2021 [art. 72, 3de lid; art. 72 gewijzigd door art. 128, W 21.01.2022 - B.S. 28.01.2022; Numac: 2022040046])]
§ 1. Onverminderd de toepassing van de roerende voorheffing, worden vergoedingen voor ontbrekende coupon of voor ontbrekend lot betreffende financiële instrumenten die het voorwerp uitmaken van een zakelijke-zekerheidsovereenkomst of van een lening, aangemerkt als beroepsinkomsten wanneer de financiële instrumenten die het voorwerp zijn van de overeenkomst worden gebruikt voor het uitoefenen van de beroepswerkzaamheid van de verkrijger van die inkomsten.
De netto-inkomsten van deze vergoedingen worden vastgesteld overeenkomstig artikel 98, tweede lid.
§ 2. Alle in artikel 90, eerste lid, 1°ter, vermelde inkomsten die voor een bepaalde kalendermaand zijn geregistreerd, worden als beroepsinkomsten aangemerkt wanneer het bruto bedrag van deze inkomsten, dat voor diezelfde kalendermaand is geregistreerd, meer bedraagt dan één twaalfde van het in het tweede lid vermelde bedrag, in voorkomend geval verhoogd voor specifieke categorieën van het verenigingswerk bij toepassing van artikel 27, § 3, tweede en derde lid, van de wet van 24 december 2020 betreffende het verenigingswerk.
De in artikel 90, eerste lid, 1°bis en 1°ter, vermelde inkomsten worden, behoudens tegenbewijs, als beroepsinkomsten aangemerkt wanneer het totale bruto bedrag van die inkomsten, met inbegrip van het bruto bedrag van de inkomsten die bij toepassing van het eerste lid als beroepsinkomsten worden aangemerkt, in het kalenderjaar of in het vorige kalenderjaar meer bedraagt dan 3.830 euro.
Wat de in artikel 90, eerste lid, 1°ter, vermelde inkomsten betreft, worden de in artikel 20 van de wet van 24 december 2020 betreffende het verenigingswerk bedoelde verbrekingsvergoedingen niet in rekening gebracht om te bepalen of de in het eerste en tweede lid bedoelde grenzen worden overschreden.
