Artikel 56, WIB 92
Art. 56, § 2, 2°, e en j, is van toepassing met ingang van 01.07.1992 (art. 10, W 06.07.1994 - B.S. 16.07.1994; Numac: 1994003443)
§ 1. Voor de toepassing van artikel 55 wordt geen beperking toegepast voor sommen betaald door:
1° Belgische banken en Belgische instellingen van buitenlandse banken als vermeld in artikel 1, eerste lid, van het koninklijk besluit nr. 185 van 9 juli 1935;
2° Belgische openbare kredietinstellingen als vermeld in artikel 1, tweede lid, 1°, van hetzelfde koninklijk besluit nr. 185;
3° privé spaarkassen die aan de controle van de Commissie voor het Bank en Financiewezen onderworpen zijn.
§ 2. Evenmin wordt enige beperking toegepast op de sommen die zijn betaald:
1° op openbaar uitgegeven obligaties en andere soortgelijke effecten van leningen;
2° aan een van de volgende instellingen:
a) de in § 1 vermelde instellingen;
b) financiële ondernemingen als vermeld in artikel 1, tweede lid, 2°, van het koninklijk besluit nr. 185 van 9 juli 1935;
c) kapitalisatieondernemingen die onder het koninklijk besluit nr. 43 van 15 december 1934 vallen;
d) hypotheekbanken die onder het koninklijk besluit nr. 225 van 7 januari 1936 vallen;
e) vennootschappen die uitsluitend of hoofdzakelijk de financiering van verkopen op afbetaling ten doel hebben en onder de toepassing vallen van de wet van 12 juni 1991;
f) kredietverenigingen die zijn erkend door de Nationale Kas voor Beroepskrediet, alsmede de plaatselijke handelsvennootschappen en de gewestelijke of beroepsverenigingen van deze maatschappijen, die tot uitvoering van het statuut van de Nationale Kas voor Beroepskrediet krediet voor ambachtsoutillage mogen verstrekken;
g) door het Nationaal Instituut voor Landbouwkrediet erkende kredietkassen;
h) Belgische verzekeringsondernemingen die binnenlandse vennootschappen zijn en Belgische inrichtingen van buitenlandse verzekeringsondernemingen;
i) de Nationale Investeringsmaatschappij en gewestelijke investeringsmaatschappijen die onder de wet van 2 april 1962 vallen;
j) vennootschappen voor huisvesting zijnde de Nationale Maatschappij voor de Huisvesting, de Vlaamse Huisvestings maatschappij, de Société régionale Wallonne du logement, de Brusselse Gewestelijke Huisvestingsmaatschappij, de Nationale Landmaatschappij, de Vlaamse Landmaatschappij en de door hen erkende maatschappijen, de coöperatieve vennootschappen Woningfonds van de Bond der kroostrijke gezinnen van België, Vlaams Woningfonds van de grote gezinnen, Fonds du logement de la Ligue des familles nombreuses de Belgique, Fonds du Logement des familles nombreuses de Wallonie en Woningfonds van de gezinnen van het Brusselse Gewest, zomede door de Algemene Spaar en Lijfrentekas erkende naamloze of coöperatieve vennootschappen die uitsluitend ten doel hebben leningen toe te staan voor het bouwen, het aankopen of het inrichten van sociale woningen, kleine landeigendommen of daarmede gelijkgestelde woningen, of voor de uitrusting daarvan met geschikt meubilair;
k) Belgische inrichtingen van niet in a tot j vermelde openbare of private instellingen met rechtspersoonlijkheid, waarvan de werkzaamheid uitsluitend of hoofdzakelijk bestaat in het toestaan van kredieten en leningen.
