Artikel 56, WIB 92
Art. 56, § 2, 2°, en § 3, is van toepassing op de vanaf 01.01.2011 betaalde of toegekende interesten (art. 34 et 43, 4de lid, W 14.04.2011 – B.S. 06.05.2011; Numac: 2011201824)
[In afwijking van het vierde lid, is artikel 56, § 2, 2°, c, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, zoals het bestond vóór zijn vervanging bij artikel 34, van toepassing op interesten die betaald of toegekend zijn aan kapitalisatieondernemingen die onder het koninklijk besluit nr. 43 van 15.12.1934 vallen zoals het bestond vóór de opheffing door het koninklijk besluit van 20.03.2007 tot uitvoering van artikel 27bis van het koninklijk besluit nr. 43 van 15.12.1934 betreffende de controle op de kapitalisatieondernemingen overeenkomstig de artikelen 3 en 4 van het voormelde koninklijk besluit van 20.03.2007 en met betrekking tot de lopende transacties op 01.01.2011. In afwijking van het vierde lid, blijft artikel 56, § 2, 2°, k, van hetzelfde Wetboek, zoals het bestond voor zijn opheffing door artikel 34, van toepassing op de interesten van inrichtingen bedoeld onder k en met betrekking tot de nog lopende transacties op 01.01.2011 (art. 43, 5de en 6de lid, W 14.04.2011 – B.S. 06.05.2011)]
§ 1. Voor de toepassing van artikel 55 wordt geen beperking toegepast voor sommen betaald door de kredietinstellingen onderworpen aan de wet van 22 maart 1993 op het statuut van en het toezicht op de kredietinstellingen evenals door de Nationale Bank van België en het Herdisconterings- en Waarborginstituut.
§ 2. Evenmin wordt enige beperking toegepast op de sommen die zijn betaald:
1° op openbaar uitgegeven obligaties en andere soortgelijke effecten van leningen;
2° aan een van de volgende instellingen:
a) kredietinstellingen naar Belgisch recht die zijn erkend overeenkomstig de voornoemde wet van 22 maart 1993, kredietinstellingen die ressorteren onder een andere lidstaat van de Europese Economische Ruimte en die, overeenkomstig de voornoemde wet van 22 maart 1993, gemachtigd zijn om hun activiteiten op Belgisch grondgebied uit te oefenen ofwel door de vestiging van een bijkantoor, ofwel in het kader van het vrij verrichten van diensten, en andere kredietinstellingen die ressorteren onder een andere lidstaat van de Europese Economische Ruimte en die in die hoedanigheid erkend zijn in hun Staat van oorsprong overeenkomstig de nationale bepalingen van die Staat die de Richtlijn 2006/48/EG van het Europees Parlement en van de Raad van 14 juni 2006 betreffende de toegang tot en de uitoefening van de werkzaamheden van kredietinstellingen, omzetten, en die niet actief zijn op Belgisch grondgebied;
b) de Nationale Bank van België;
c) het Herdisconterings- en Waarborginstituut;
d) ondernemingen van hypothecaire leningen onderworpen aan het koninklijk besluit nr. 225 van 7 januari 1936 tot reglementering van de hypothecaire leningen en tot inrichting van de controle op de ondernemingen van hypothecaire leningen, zomede hypotheekondernemingen onderworpen aan de wet van 4 augustus 1992 op het hypothecair krediet of ondernemingen die ressorteren onder een andere lidstaat van de Europese Economische Ruimte en die onder de toepassing vallen van een gelijkaardige wetgeving die van kracht is in een andere lidstaat van de Europese Economische Ruimte;;
e) vennootschappen die uitsluitend of hoofdzakelijk de financiering van verkopen op afbetaling ten doel hebben en die erkend zijn overeenkomstig de wet van 12 juni 1991 op het consumentenkrediet, en gelijkaardige ondernemingen onderworpen aan het recht van een andere lidstaat van de Europese Economische Ruimte die in die hoedanigheid erkend zijn in hun Staat van oorsprong overeenkomstig de nationale bepalingen van die Staat tot omzetting van de Richtlijn 2008/48/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 april 2008 inzake kredietovereenkomsten voor consumenten en tot intrekking van Richtlijn 87/102/EG van de Raad;
f) (...)
g) (...)
h) verzekeringsondernemingen naar Belgisch recht die erkend zijn overeenkomstig de wet van 9 juli 1975 betreffende de controle der verzekeringsondernemingen, verzekeringsondernemingen die ressorteren onder een andere lidstaat van de Europese Economische Ruimte en die, overeenkomstig de voornoemde wet van 9 juli 1975, gemachtigd zijn hun activiteiten op Belgisch grondgebied uit te oefenen, ofwel door de vestiging van een bijkantoor, ofwel in het kader van het vrij verrichten van diensten, en de andere verzekeringsondernemingen die ressorteren onder een andere lidstaat van de Europese Economische Ruimte en die in die hoedanigheid erkend zijn in hun Staat van oorsprong overeenkomstig de nationale bepalingen van die Staat tot omzetting van de Europese Richtlijn en inzake erkenning van verzekeringsondernemingen, en die niet actief zijn op Belgisch grondgebied;
i) de Federale Participatie- en Investeringsmaatschappij en de gewestelijke investeringsmaatschappijen die onder de wet van 2 april 1962 vallen, zomede die welke onder het Vlaams decreet van 7 mei 2004 betreffende de investeringsmaatschappijen van de Vlaamse overheid vallen;
j) (...)
k) (...)
§ 3. Paragraaf 2, 2°, is niet van toepassing op de sommen betaald aan een instelling waarmee de schuldenaar rechtstreeks of onrechtstreeks is verbonden in de zin van artikel 11 van het Wetboek van vennootschappen of van een gelijkaardige bepaling die van kracht is in een andere lidstaat van de Europese Economische Ruimte.
