Artikel 66, WIB 92

Art. 66, § 5, treedt in werking op 01.01.2018 (art. 28 en 36, W 30.03.2018 - B.S. 07.05.2018; Numac: 2018011632)

[Het Grondwettelijk Hof, bij arrest nr. 11/2020 van 23.01.2020 (B.S. 24.02.2020; Numac: 2020200521), vernietigt de wet van 30.03.2018 "betreffende de invoering van een mobiliteitsvergoeding" en handhaaft de gevolgen van de vernietigde wet totdat, in voorkomend geval, nieuwe wetsbepalingen in werking treden en uiterlijk tot en met 31.12.2020]


§ 1. Beroepskosten met betrekking tot het gebruik van de in artikel 65 bedoelde voertuigen zijn slechts aftrekbaar tot het overeenkomstig artikel 198bis bepaalde tarief van aftrekbaarheid, met een minimum van 75 % voor de gedane of gedragen beroepskosten met betrekking tot het gebruik van vóór 1 januari 2018 aangeschafte voertuigen.

§ 2. Paragraaf 1 is niet van toepassing:

1° op voertuigen die uitsluitend gebruikt worden voor een taxidienst of voor verhuring met bestuurder en op grond daarvan van de verkeersbelasting op de autovoertuigen vrijgesteld zijn;

2° op voertuigen die in erkende autorijscholen uitsluitend worden gebruikt voor praktisch onderricht en daartoe speciaal zijn uitgerust;

3° op voertuigen die uitsluitend aan derden worden verhuurd.

4° voor de kosten die aan derden worden doorgerekend, mits deze kosten uitdrukkelijk en afzonderlijk op factuur zijn vermeld.

§ 3. De in § 1 vermelde beroepskosten omvatten de kosten die zijn gedaan met betrekking tot de in § 2, 1° en 3°, vermelde voertuigen die toebehoren aan derden en gedaan worden door de eindgebruiker van deze voertuigen, zomede het bedrag van de in dit artikel vermelde kosten die aan derden worden terugbetaald.

§ 4. In afwijking van § 1 worden de beroepskosten met betrekking tot de verplaatsing tussen de woonplaats en de plaats van tewerkstelling met een in die bepaling vermeld voertuig forfaitair op 0,15 euro per afgelegde kilometer bepaald. Deze afwijking geldt niet voor voertuigen die, overeenkomstig artikel 5, § 1, 3°, van het Wetboek van de met de inkomstenbelastingen gelijkgestelde belastingen, van de verkeersbelasting zijn vrijgesteld.

§ 5. Het in § 4 vermelde forfaitair bedrag mag uitsluitend worden toegekend aan de belastingplichtige indien het betrokken voertuig:

1° hetzij zijn eigendom is;

2° hetzij op zijn naam is ingeschreven bij de Directie voor de Inschrijving van de Voertuigen;

3° hetzij door een huur- of leasingovereenkomst bestendig of gewoonlijk te zijner beschikking is;

4° hetzij aan zijn werkgever of vennootschap toebehoort en het eventueel voordeel voortspruitend uit het gebruik van dat voertuig op zijn naam wordt belast.

In de gevallen vermeld in het eerste lid, 1° tot 3°, mag dat forfait worden toegekend aan de echtgenoot of aan een kind van de belastingplichtige indien die echtgenoot of dat kind het voertuig gebruikt voor de in § 4 vermelde verplaatsing, met dien verstande evenwel dat het forfait slechts aan één enkele belastingplichtige mag worden toegekend voor het gezamenlijk afgelegde traject.

In de gevallen bedoeld in het eerste lid, 4°, mag dat forfait nooit meer bedragen dan het eventueel voordeel voortspruitend uit het gebruik van dat voertuig dat op naam van de belastingplichtige wordt belast, desgevallend verhoogd met de bijdrage bedoeld in artikel 36, § 2, laatste lid.

In de in het eerste lid bedoelde gevallen, mag dat forfait nooit meer bedragen dan het in artikel 33ter bepaalde eventueel belastbaar voordeel.