Artikel 113, WIB 92

Art. 113, § 1, tweede en derde lid, is van toepassing op de uitgaven die zijn betaald vanaf 01.01.2010 (art. 119, progW 23.12.2009 - B.S. 30.12.2009; Numac: 2009021133)

§ 1. De in artikel 104, 7°, vermelde uitgaven voor kinderoppas zijn aftrekbaar onder de volgende voorwaarden:

1° de uitgaven hebben betrekking op het vergoeden van kinderoppas in de Europese Economische Ruimte buiten de normale lesuren tijdens dewelke het kind onderwijs volgt en moeten gedaan zijn voor kinderen die de leeftijd van twaalf jaar niet hebben bereikt;

2° de belastingplichtige verkrijgt beroepsinkomsten;

3° de uitgaven zijn betaald:

a) ofwel aan instellingen of opvangvoorzieningen die worden erkend, gesubsidieerd of gecontroleerd:

- door Kind en Gezin, door het "Office de la Naissance et de l'Enfance"; of door de regering van de Duitstalige Gemeenschap;

- of door de lokale openbare besturen of openbare besturen van de gemeenschappen, andere dan de in het eerste streepje vermelde besturen, of van de gewesten;

- of door buitenlandse openbare instellingen gevestigd in een andere lidstaat van de Europese Economische Ruimte;

b) ofwel aan kinderdagverblijven of zelfstandige opvanggezinnen die onder toezicht staan van de in a, eerste of derde streepje, vermelde instellingen;

c) ofwel aan scholen gevestigd in de Europese Economische Ruimte of aan instellingen of opvangvoorzieningen die verbonden zijn met de school of de inrichtende macht;

4° de belastingplichtige houdt de bewijsstukken ter beschikking van de administratie die de vaststelling mogelijk maken van:

a) de echtheid en het bedrag van de uitgaven;

b) de volledige identiteit of benaming van de personen, scholen, instellingen en openbare besturen als bedoeld in 3°;

c) de naleving van de in dit artikel beoogde voorwaarden.

In afwijking van het eerste lid, 1°, zijn de uitgaven gedaan voor de opvang van kinderen met een zware handicap die de leeftijd van achttien jaar niet hebben bereikt, eveneens aftrekbaar onder dezelfde voorwaarden.

Voor de toepassing van dit artikel, wordt onder "kind met zware handicap"; verstaan, het kind dat recht heeft op de verhoogde kinderbijslag op basis van een van de volgende criteria:

1° ofwel, meer dan 80 % lichamelijke of geestelijke ongeschiktheid met 7 tot 9 punten van de graad van zelfstandigheid gemeten aan de hand van de gids gevoegd bij het koninklijk besluit van 3 mei 1991 tot uitvoering van de artikelen 47, 56septies en 63 van de samengeordende wetten betreffende de kinderbijslag voor loonarbeiders en van artikel 96 van de wet van 29 december 1990 houdende sociale bepalingen;

2° ofwel, een totaal van minstens 15 punten, vastgesteld volgens de medisch-sociale schaal overeenkomstig het koninklijk besluit van 28 maart 2003 tot uitvoering van de artikelen 47, 56septies en 63 van de samengeordende wetten betreffende de kinderbijslag voor de loonarbeiders en van artikel 88 van de programmawet (I) van 24 december 2002.

§ 2. De Koning kan bij een in Ministerraad overlegd besluit het hoogst aftrekbare bedrag per oppasdag en per kind bepalen, welk bedrag niet lager dan 4 euro mag zijn.