Artikel 145^1, WIB 92
Art. 145^1, 3°, is van toepassing met ingang van het aanslagjaar 1999 (art. 2, W 17.11.1998 - B.S. 16.01.1999; Numac: 1998003688 - err. B.S. 10.02.1999)
[art. 2 en 3, W. 17.11.1998 schenden artikelen 10 en 11 van de Grondwet in zoverre zij de betalingen voor de aflossing of wedersamenstelling van hypotheekleningen die vóór 01.01.1998, met naleving van de wettelijke bepalingen, zijn aangegaan bij een particulier handelende natuurlijke persoon, uitsluiten van het voordeel van de belastingvermindering waarin art. 145^1, 3°, WIB 92 voorziet: arrest van het Arbitragehof nr. 118/2005 van 30.06.2005]
Binnen de grenzen en onder de voorwaarden bepaald in de artikelen 145^2 tot 145^16 wordt een belastingvermindering verleend die wordt berekend op de volgende uitgaven die tijdens het belastbare tijdperk werkelijk zijn betaald:
1° als persoonlijke bijdragen voor aanvullende verzekering tegen ouderdom en vroegtijdige dood met het oog op het vestigen van een rente of van een kapitaal bij leven of bij overlijden en die door de werkgever op de bezoldigingen zijn ingehouden;
2° als bijdragen van een aanvullende verzekering tegen ouderdom en vroegtijdige dood die de belastingplichtige tot uitvoering van een individueel gesloten levensverzekeringscontract definitief in België heeft betaald voor het vestigen van een rente of van een kapitaal bij leven of bij overlijden;
3° als betalingen voor de aflossing of wedersamenstelling van een hypothecaire lening die is aangegaan bij een instelling die binnen de Europese Unie gevestigd is, om een in België gelegen woning te bouwen, te verwerven of te verbouwen en gewaarborgd is door een definitief in België gesloten tijdelijke verzekering bij overlijden met afnemend kapitaal;
4° als betalingen in geld voor aandelen waarop de belastingplichtige als werknemer heeft ingeschreven en die een fractie vertegenwoordigen van het maatschappelijk kapitaal van de binnenlandse vennootschap die de belastingplichtige tewerkstelt of waarvan de vennootschap - werkgeefster in de zin van de wetgeving op de boekhouding en de jaarrekening van de ondernemingen onweerlegbaar wordt geacht een dochter- of kleindochteronderneming te zijn;
5° als betalingen voor het pensioensparen.
