Artikel 145^1, WIB 92

Art. 145^1, 2° en 3°, is van toepassing vanaf het aanslagjaar 2006 (art. 397 en 413, W 27.12.2004 - B.S. 31.12.2004; Numac: 2004021170 - err. B.S. 18.01.2005; art. 413 gewijzigd door art. 183, W 27.12.2005 - B.S. 30.12.2005; Numac: 2005021183 - err. B.S. 31.01.2006)

[De oude tekst van artikel 145^1, zoals die bestond alvorens te zijn gewijzigd door de programmawet van 27.12.2004, blijft van toepassing op hypothecaire leningen of levensverzekeringscontracten die voldoen aan de overgangsbepalingen van art. 526, WIB 92]


Binnen de grenzen en onder de voorwaarden bepaald in de artikelen 145^2 tot 145^16 wordt een belastingvermindering verleend die wordt berekend op de volgende uitgaven die tijdens het belastbare tijdperk werkelijk zijn betaald:

1° als in artikel 34, § 1, 2°, eerste lid, a tot c, bedoelde persoonlijke bijdragen en premies die worden betaald door de werkgever via inhouding op de bezoldigingen van de werknemer of door de onderneming via inhouding op de bezoldigingen van de bedrijfsleider zonder dienstverband;

2° als bijdragen van een aanvullende verzekering tegen ouderdom en vroegtijdige dood die de belastingplichtige tot uitvoering van een individueel gesloten levensverzekeringscontract definitief in een lidstaat van de Europese Economische Ruimte heeft betaald voor het vestigen van een rente of van een kapitaal bij leven of bij overlijden en voor zover dat kapitaal niet dient voor het wedersamenstellen of het waarborgen van een hypothecaire lening die voor de in artikel 104, 9°, bedoelde woning is aangegaan;

3° als betalingen voor de aflossing of wedersamenstelling van een hypothecaire lening die is aangegaan om een in België gelegen woning, andere dan de in artikel 104, 9°, vermelde woning, te bouwen, te verwerven of te verbouwen;

4° als betalingen in geld voor aandelen waarop de belastingplichtige als werknemer heeft ingeschreven en die een fractie vertegenwoordigen van het maatschappelijk kapitaal van de binnenlandse vennootschap die de belastingplichtige tewerkstelt of waarvan de vennootschap - werkgeefster in de zin van de wetgeving op de boekhouding en de jaarrekening van de ondernemingen onweerlegbaar wordt geacht een dochter- of kleindochteronderneming te zijn;

5° als betalingen voor het pensioensparen.