Artikel 19, WIB 92
Art. 19, § 1, 3°, a, is van toepassing op de hypothecaire leningen die vanaf 01.01.2005 zijn gesloten voor het verwerven of behouden van de woning die is bedoeld in art. 104, 9°, WIB 92, zoals het door artikel 394 van de programmawet van 27.12.2004 is gewijzigd, en de levensverzekeringscontracten die uitsluitend dienen voor het wedersamenstellen of het waarborgen van een dergelijke hypothecaire lening (art. 390 en 413, 3de lid, progW 27.12.2004 - B.S. 31.12.2004; Numac: 2004021170 – err. B.S. 18.01.2005)
[De oude tekst van artikel 19, § 1, 3°, a, zoals die bestond alvorens te zijn gewijzigd door de programmawet van 27.12.2004, blijft van toepassing op inkomsten uit kapitalen en afkoopwaarden voor zover voldaan wordt aan de overgangsbepalingen van art. 527, WIB 92]
§ 1. Interest omvat:
1° interest, premies en alle andere opbrengsten van leningen en gelddeposito's, van leningen van aandelen en van elke andere schuldvordering van dezelfde aard;
2° de in artikel 10, § 2, vermelde termijnen voortkomend van overeenkomsten waarbij een recht van gebruik van gebouwde onroerende goederen wordt verleend, met uitzondering van het in die termijnen begrepen gedeelte dat dient om het in het gebouw belegde kapitaal of, als het een bestaand gebouw betreft, de verkoopwaarde ervan, volledig weer samen te stellen.
3° de inkomsten begrepen in kapitalen en afkoopwaarden vereffend bij leven betreffende levensverzekeringscontracten die de belastingplichtige individueel heeft gesloten, wanneer het gaat om:
a) hetzij contracten die een gewaarborgd rendement bepalen en waarvan geen enkele premie aanleiding heeft gegeven tot:
- de in artikel 104, 9°, vermelde aftrek voor enige woning;
- een belastingvermindering voor het lange termijnsparen overeenkomstig de artikelen 145^1 tot 145^16;
b) hetzij contracten die verbonden zijn aan één of verschillende beleggingsfondsen wanneer bij hun inschrijving verbintenissen worden aangegaan die wat betreft hun duur en hun bedrag of hun rendementsvoet bepaald zijn;
4° de inkomsten uit aandelen betaald of toegekend door beleggingsvennootschappen, en gehaald uit de gehele of gedeeltelijke verdeling van hun maatschappelijk vermogen of bij verkrijging van hun eigen aandelen, wanneer bij het openbaar aanbod in België van de aandelen verbintenissen werden aangegaan die, wat het terugbetalingsbedrag of de rendementsvoet ervan betreft, bepaald waren en wanneer die verbintenissen betrekking hebben op een periode kleiner dan of gelijk aan acht jaar.
§ 2. Met betrekking tot vastrentende effecten of in § 1, 4°, vermelde aandelen omvatten de inkomsten iedere som die boven de uitgifteprijs wordt betaald of toegekend, ongeacht of de toekenning plaatsheeft op de bij overeenkomst vastgestelde vervaldag.
Die inkomsten zijn ten name van elke opeenvolgende houder van de effecten belastbaar in verhouding tot het tijdperk waarin hij houder is geweest.
§ 3. Met betrekking tot gelddeposito's, omvatten de inkomsten de opbrengsten uit verrichtingen tot afstand, uit welken hoofde ook, door de ene partij van een som geld aan de tegenpartij waarbij deze laatste tegenover de eerste de verbintenis aangaat om op een vooraf bepaalde datum of gedurende een overeengekomen periode een hogere som geld terug te geven waarvan het bedrag bij de aanvang is overeengekomen. De inkomsten stemmen overeen met het verschil tussen die twee bedragen ongeacht de wijze van berekening en vaststelling.
§ 4. Met betrekking tot kapitalen en afkoopwaarden van levensverzekeringscontracten vermeld in § 1, 3°, stemmen de inkomsten overeen met het verschil tussen, enerzijds de betaalde of toegekende bedragen met uitsluiting van de overeenkomstig artikel 40 vrijgestelde deelnemingen in de winst, en, anderzijds, het totaal van de gestorte premies.
Het belastbare bedrag van de inkomsten vermeld in § 1, 3°, a, mag evenwel niet lager zijn dan het bedrag dat overeenstemt met de kapitalisatie van de interesten tegen 4,75 % per jaar, berekend op het totale bedrag van de gestorte premies.
