Artikel 308, WIB 92
Art. 308, § 1 (vervangen), § 2 (vervangen), § 3, eerste lid (vervangen), en § 4 (ingevoegd), is van toepassing voor de belastbare tijdperken verbonden aan de aanslagjaren 2024 en volgende (art. 70 en 75, W 28.12.2023 - B.S. 29.12.2023; Numac: 2023048795)
§ 1. De in artikel 305 beoogde belastingplichtigen voor wie op 1 januari van het jaar waarnaar het aanslagjaar wordt genoemd, de gronden voor belastbaarheid zoals bedoeld in artikel 360, inzake personenbelasting, aanwezig zijn, moeten hun aangifte aan de dienst die op het formulier is vermeld doen toekomen ten laatste op 30 juni van het jaar waarnaar het aanslagjaar wordt genoemd, deze termijn mag niet korter zijn dan één maand te rekenen vanaf de verzending van het aangifteformulier. Indien de belastingplichtige opteert voor de in artikel 307bis bedoelde elektronische aangifte, moet hij deze ten laatste op 15 juli van het jaar waarnaar het aanslagjaar wordt genoemd indienen, deze termijn mag niet korter zijn dan één maand te rekenen vanaf de terbeschikkingstelling van de elektronische aangifte op het elektronisch platform van de Federale Overheidsdienst Financiën.
De in artikel 305 beoogde belastingplichtigen voor wie op 1 januari van het jaar waarnaar het aanslagjaar wordt genoemd, de gronden voor belastbaarheid zoals bedoeld in artikel 360, als niet-rijksinwoners inzake belasting van niet-inwoners, aanwezig zijn, moeten hun aangifte aan de dienst die op het formulier is vermeld doen toekomen binnen de op het formulier aangegeven termijn, die niet korter mag zijn dan één maand te rekenen vanaf ofwel de verzending ervan ofwel de terbeschikkingstelling van de elektronische aangifte op het elektronisch platform van de Federale Overheidsdienst Financiën.
De indieningsverplichting binnen de in het eerste en tweede lid bedoelde termijnen geldt eveneens voor de in artikel 305, tweede lid, beoogde erfgenamen, algemene legatarissen of begiftigden met betrekking tot de aangifte voor het jaar van overlijden van de belastingplichtige.
§ 2. Voor wat betreft de aangifte voor een belastbaar tijdperk voorafgaand aan het jaar van overlijden van de belastingplichtige: indien de in § 1 en artikel 308/1 gestelde termijnen niet zijn verlopen op de datum van overlijden van de belastingplichtige die gehouden is aangifte te doen, bedraagt hij voor de erfgenamen, algemene legatarissen of begiftigden vijf maanden vanaf die datum, behalve indien de termijnen voorzien in paragraaf 1 en in artikel 308/1 later zijn.
§ 3. De in § 1, eerste lid, bedoelde belastingplichtigen die geen aangifteformulier hebben ontvangen, moeten bij de aanslagdienst waaronder zij ressorteren uiterlijk op 15 juni van het jaar waarnaar het aanslagjaar wordt genoemd een aangifteformulier aanvragen.
Deze verplichting geldt niet voor de belastingplichtigen die overeenkomstig artikel 306 van de aangifteplicht zijn vrijgesteld.
§ 4. Voor de in artikel 305, tweede lid bedoelde erfgenamen, algemene legatarissen of begiftigen die er voor kiezen de aangifte voor het jaar van overlijden in te dienen op papier, geldt eveneens de verplichting opgenomen in paragraaf 3, eerste lid.
Voor de in artikel 305, tweede lid bedoelde erfgenamen, algemene legatarissen of begiftigden die er voor kiezen de aangifte voor een jaar voorafgaand aan het jaar van overlijden in te dienen op papier, dient het aangifteformulier aangevraagd te worden binnen een termijn van vier maand te rekenen vanaf het overlijden van de belastingplichtige. In dit geval moet, indien nodig, de termijn vermeld worden waarop ze in voorkomend geval ingevolge paragraaf 2 aanspraak kunnen maken.
