Artikel 308, WIB 92

Art. 308, § 1 en 3, treedt in werking op 01.01.2025 (art. 18 en 219, 1ste lid, W 26.01.2021 - B.S. 10.02.2021; Numac: 2021040269)

[De wet van 26 januari 2021 betreffende de dematerialisatie van de relaties tussen de Federale Overheidsdienst Financiën, de burgers, rechtspersonen en bepaalde derden en tot wijziging van diverse fiscale wetboeken en wetten, laatstelijk gewijzigd bij de wet van12 maart 2023, wordt opgeheven (art. 213, W 12.05.2024 - B.S. 30.05.2024; Numac: 2024003880)]


§ 1. De in artikel 305 beoogde belastingplichtigen voor wie op 1 januari van het jaar waarnaar het aanslagjaar wordt genoemd, de gronden voor belastbaarheid zoals bedoeld in artikel 360, inzake personenbelasting of als niet-rijksinwoners inzake belasting van niet-inwoners, aanwezig zijn, moeten hun aangifte door middel van het in artikel 304ter, tweede lid, bedoeld beveiligd elektronisch platform doen toekomen binnen de op het formulier aangegeven termijn, die niet korter mag zijn dan één maand te rekenen vanaf de verzending ervan.

De in artikel 304quater, § 2, bedoelde belastingplichtigen die niet gekozen hebben voor de elektronische communicatie, moeten hun papieren aangifte aan de dienst die op het formulier is vermeld doen toekomen binnen de op het formulier aangegeven termijn, die niet korter mag zijn dan één maand te rekenen vanaf de verzending ervan.

§ 2. Indien de in § 1 gestelde termijn niet is verlopen op de datum van overlijden van de belastingplichtige die gehouden is aangifte te doen, bedraagt hij voor de erfgenamen, algemene legatarissen of begiftigden vijf maanden vanaf die datum.

§ 3. De in artikel 304quater, § 2, bedoelde belastingplichtigen die niet gekozen hebben voor de elektronische communicatie en die geen papieren aangifteformulier hebben ontvangen moeten bij de aanslagdienst waaronder zij ressorteren uiterlijk op 1 juni van het jaar waarnaar het aanslagjaar wordt genoemd een aangifteformulier op papier aanvragen en, zo zulks nodig is, de termijn vermelden waarop zij in voorkomend geval ingevolge paragraaf 2 aanspraak kunnen maken.

Deze verplichting geldt niet voor de belastingplichtigen die overeenkomstig artikel 306 van de aangifteplicht zijn vrijgesteld.