Artikel 414, WIB 92
Art. 414 is van toepassing vanaf het aanslagjaar 1992 (art. 305, WIB; art. 1, KB 10.04.1992 - B.S. 30.07.1992; Numac: 1992003456)
§ 1. Bij wanbetaling binnen de in de artikelen 412 en 413 gestelde termijnen, brengen de verschuldigde sommen ten bate van de Schatkist, voor de duur van het verwijl, een interest op die is vastgesteld op 0,8 % per kalendermaand.
De Koning kan, wanneer zulks ingevolge de op de geldmarkt toegepaste rentevoeten verantwoord is, dit tarief aanpassen.
Die interest wordt voor elke aanslag berekend op de nog verschuldigde som, afgerond op het lagere duizendtal; de vervalmaand wordt niet medegerekend, doch de maand waarin de betaling geschiedt wordt voor een volle maand geteld.
Wanneer de bedrijfsvoorheffing evenwel niet binnen de in artikel 412, tweede en derde lid, gestelde termijnen wordt betaald, is daarenboven voor de vervalmaand respectievelijk een interest voor een halve maand en voor een zesde van een maand verschuldigd.
De nalatigheidsinterest is niet verschuldigd wanneer hij geen 100 frank bedraagt of wanneer de berekeningsgrondslag ervan lager is dan 5.000 frank.
§ 2. Geschiedt de kennisgeving van de in artikel 375 bedoelde beslissing niet binnen achttien maanden na de indiening van het bezwaarschrift, dan is de in § 1 bedoelde nalatigheidsinterest niet verschuldigd voor het gedeelte van de aanslag dat hoger is dan het overeenkomstig artikel 410 vastgestelde bedrag, gedurende het tijdperk dat begint op de eerste van de maand welke volgt op die waarin die termijn van achttien maanden verstrijkt, en afloopt op het einde van de maand waarin van de beslissing van de directeur kennis wordt gegeven.
