Artikel 414, WIB 92

Art. 414, § 1, eerste lid, is van toepassing vanaf 01.01.1999, en § 1, tweede lid, is van toepassing vanaf 01.01.1999 (art. 47 en 80, § 30, W 22.12.1998 - B.S. 15.01.1999; Numac: 1998003665)


§ 1. Bij wanbetaling binnen de in de artikelen 412 en 413 gestelde termijnen, brengen de verschuldigde sommen ten bate van de Schatkist, voor de duur van het verwijl, de wettelijke intrest op, berekend per kalendermaand.

(...)

Die interest wordt voor elke aanslag berekend op de nog verschuldigde som, afgerond op het lagere duizendtal; de vervalmaand wordt niet medegerekend, doch de maand waarin de betaling geschiedt wordt voor een volle maand geteld.

Wanneer de bedrijfsvoorheffing evenwel niet binnen de gestelde termijn worden betaald, is daarenboven voor de vervalmaand een interest verschuldigd:

- voor een halve maand in de gevallen vermeld in artikel 412, tweede, derde en vijfde lid;

- voor een zesde van een maand in het geval vermeld in artikel 412, vierde lid.

De nalatigheidsinterest is niet verschuldigd wanneer hij geen 200 frank per maand bedraagt.

§ 2. Geschiedt de kennisgeving van de in artikel 375 bedoelde beslissing niet binnen achttien maanden na de indiening van het bezwaarschrift, dan is de in § 1 bedoelde nalatigheidsinterest niet verschuldigd voor het gedeelte van de aanslag dat hoger is dan het overeenkomstig artikel 410 vastgestelde bedrag, gedurende het tijdperk dat begint op de eerste van de maand welke volgt op die waarin die termijn van achttien maanden verstrijkt, en afloopt op het einde van de maand waarin van de beslissing van de directeur kennis wordt gegeven.