Artikel 414, WIB 92

Art. 414, § 1, eerste, tweede en derde lid, is van toepassing vanaf 01.01.2018 (art. 77 en 86 C, 11de lid, W 25.12.2017 - B.S. 29.12.2017; Numac: 2017014414; art. 86 C, 11de lid, vervangen door art. 59 en 60, W 11.02.2019 - B.S. 22.03.2019; Numac: 2019040488)

[Hoofdstuk 1, W 25.12.2017 (B.S. 29.12.2017; Numac: 2017014414) heeft inzonderheid de gedeeltelijke omzetting tot doel van richtlijn (EU) 2016/1164 van de Raad van 12 juli 2016 tot vaststelling van regels ter bestrijding van belastingontwijkingspraktijken welke rechtstreeks van invloed zijn op de werking van de interne markt en de omzetting van richtlijn (EU) 2017/952 van de Raad van 29 mei 2017 tot wijziging van Richtlijn (EU) 2016/1164 wat betreft hybridemismatches met derde landen (art. 2, W 25.12.2017 - B.S. 29.12.2017; Numac: 2017014414)]

[Elke wijziging die vanaf 26 juli 2017 aan de afsluitingsdatum van het boekjaar wordt aangebracht, blijft zonder uitwerking voor de toepassing van de in dit hoofdstuk bedoelde bepalingen (art. 86 D, W 25.12.2017 - B.S. 29.12.2017; Numac: 2017014414)]

[Voor het kalenderjaar 2018 is de in artikel 414, § 1, eerste lid, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 bedoelde rentevoet gelijk aan 4 %, overeenkomstig de bepalingen van artikel 414, § 1, tweede lid, van hetzelfde Wetboek. Voor het kalenderjaar 2018 is de in artikel 418, eerste lid, van hetzelfde Wetboek bedoelde rentevoet bijgevolg gelijk aan 2 %, overeenkomstig de bepalingen van artikel 418, tweede lid, van hetzelfde Wetboek. Deze overgangsbepaling geldt voor het kalenderjaar 2018 als bericht als bedoeld in artikel 414, § 1, derde lid, van hetzelfde Wetboek (art. 90, W 25.12.2017 - B.S. 29.12.2017; Numac: 2017014414)]


§ 1. Bij wanbetaling binnen de in de artikelen 412, 413 en 413/1 gestelde termijnen, brengen de verschuldigde sommen ten bate van de Schatkist voor de duur van het verwijl, in afwijking van artikel 2, § 2, van de wet van 5 mei 1865 betreffende de lening tegen intrest, een interest aan een rentevoet zoals bepaald overeenkomstig het tweede lid op, berekend per kalendermaand.

Deze rentevoet wordt jaarlijks aangepast en komt overeen met het gemiddelde van de referte-indexen J met betrekking tot de lineaire obligaties op 10 jaar van de maanden juli, augustus en september van het laatste jaar dat het jaar waarin de rentevoet van toepassing is voorafgaat, zonder dat deze minder dan 4 % of meer dan 10 % mag bedragen. Deze indexen worden door het Federaal Agentschap van de Schuld bekendgemaakt, als bedoeld in artikel 8, van het koninklijk besluit van 14 september 2016 betreffende de kosten, de percentages, de duur en de terugbetalingsmodaliteiten van kredietovereenkomsten onderworpen aan boek VII van het Wetboek van economisch recht en de vaststelling van referte-indexen voor de veranderlijke rentevoeten inzake hypothecaire kredieten en de hiermee gelijkgestelde consumentenkredieten.

De Federale Overheidsdienst Financiën maakt via een bericht in het Belgisch Staatsblad, in het laatste trimester van elk jaar de te gebruiken rentevoet voor het volgende kalenderjaar bekend op grond van de bepalingen van het tweede lid.

Die interest wordt voor elke aanslag per kalendermaand berekend op de nog verschuldigde som, afgerond op het lagere veelvoud van 10 euro, hetzij vanaf de eerste dag van de maand volgend op de vervaldag, hetzij vanaf de eerste dag van de maand volgend op de vorige betaling voor zover een som werd aangerekend op de hoofdsom van de schuld, tot op de laatste dag van de maand waarin de betaling plaatsgrijpt.

Wanneer de bedrijfsvoorheffing evenwel niet binnen de gestelde termijn wordt betaald, is daarenboven voor de vervalmaand een interest verschuldigd:

- voor een halve maand in de gevallen vermeld in artikel 412, tweede, derde en vijfde lid;

- voor een zesde van een maand in het geval vermeld in artikel 412, vierde lid.

De nalatigheidsinterest is niet verschuldigd wanneer hij geen 5 euro per maand bedraagt.

§ 2. Geschiedt de kennisgeving van de in artikel 375, § 1, bedoelde beslissing niet binnen zes maanden na de datum van ontvangst van het bezwaarschrift, dan is de in § 1 bedoelde nalatigheidsinterest niet verschuldigd voor het gedeelte van de aanslag dat hoger is dan het overeenkomstig artikel 410 vastgestelde bedrag, gedurende het tijdperk dat begint op de eerste van de maand die volgt op die waarin de termijn van zes maanden verstrijkt, en afloopt op het einde van de maand waarin een vordering overeenkomstig artikel 1385undecies van het Gerechtelijk Wetboek wordt ingesteld en, bij ontstentenis van een dergelijke vordering, op het einde van de maand waarin de voormelde beslissing ter kennis is gebracht.