Artikel 414, WIB 92
Art. 414, § 1, vierde lid, (vervanging door in euro uitgedrukte bedragen), is van toepassing vanaf 01.01.2002 (art. 2 en 7, § 2, KB 20.07.2000 - B.S. 30.08.2000; Numac: 2000003467 - err. B.S. 08.03.2001; art. 7 gewijzigd door art. 3, W 20.06.2002 - B.S. 20.07.2002; Numac: 2002003352)
Art. 414, § 1, tweede lid, is van toepassing vanaf aanslagjaar 2002 (art. 4, 7°, en 7, § 1, KB 20.07.2000 - B.S. 30.08.2000; Numac: 2000003467 - err. B.S. 08.03.2001; art. 7 modifié par art. 3, L 20.06.2002 - M.B. 20.07.2002; Numac: 2002003352)
Art. 414, § 1, vierde lid, in de bedragen die een geheel veelvoud van een euro vormen, wordt de notatie met twee decimalen vervangen door een notatie zonder decimalen (art. 42, 5°, en 45, § 1, KB 13.07.2001 - B.S. 11.08.2001; Numac: 2001003362 - err. B.S. 21.12.2001)
§ 1. Bij wanbetaling binnen de in de artikelen 412 en 413 gestelde termijnen, brengen de verschuldigde sommen ten bate van de Schatkist voor de duur van het verwijl, de wettelijke interest op, berekend per kalendermaand.
Die interest wordt voor elke aanslag per kalendermaand berekend op de nog verschuldigde som, afgerond op het lagere veelvoud van 10 euro, hetzij vanaf de eerste dag van de maand volgend op de vervaldag, hetzij vanaf de eerste dag van de maand volgend op de vorige betaling voor zover een som werd aangerekend op de hoofdsom van de schuld, tot op de laatste dag van de maand waarin de betaling plaatsgrijpt.
Wanneer de bedrijfsvoorheffing evenwel niet binnen de gestelde termijn wordt betaald, is daarenboven voor de vervalmaand een interest verschuldigd:
- voor een halve maand in de gevallen vermeld in artikel 412, tweede, derde en vijfde lid;
- voor een zesde van een maand in het geval vermeld in artikel 412, vierde lid.
De nalatigheidsinterest is niet verschuldigd wanneer hij geen 5 euro per maand bedraagt.
§ 2. Geschiedt de kennisgeving van de in artikel 375, § 1, bedoelde beslissing niet binnen zes maanden na de datum van ontvangst van het bezwaarschrift, dan is de in § 1 bedoelde nalatigheidsinterest niet verschuldigd voor het gedeelte van de aanslag dat hoger is dan het overeenkomstig artikel 410 vastgestelde bedrag, gedurende het tijdperk dat begint op de eerste van de maand die volgt op die waarin de termijn van zes maanden verstrijkt, en afloopt op het einde van de maand waarin een vordering overeenkomstig artikel 1385undecies van het Gerechtelijk Wetboek wordt ingesteld en, bij ontstentenis van een dergelijke vordering, op het einde van de maand waarin de voormelde beslissing ter kennis is gebracht.
