Artikel 145^24, WIB 92

Art. 145^24, eerste lid, 3°bis, en derde lid, a, is van toepassing vanaf aanslagjaar 2005 (art. 15, 1°, b, en 2°, en 16, 2de lid, progW 05.08.2003 - B.S. 07.08.2003; Numac: 2003021183)


Er wordt een belastingvermindering verleend voor de volgende uitgaven die tijdens het belastbare tijdperk werkelijk zijn betaald voor een rationeler energiegebruik in een woning waarvan de belastingplichtige eigenaar, bezitter, erfpachter, opstalhouder of vruchtgebruiker is:

1° uitgaven voor de vervanging van oude stookketels;

2° uitgaven voor de installatie van een systeem van waterverwarming door middel van zonne-energie;

3° uitgaven voor de plaatsing van zonnecelpanelen voor het omzetten van zonne-energie in elektrische energie;

3°bis uitgaven voor de plaatsing van alle andere uitrustingen voor geothermische energieopwekking;

4° uitgaven voor de plaatsing van dubbele beglazing;

5° uitgaven voor de isolatie van daken;

6° uitgaven voor de plaatsing van een warmteregeling van een installatie van centrale verwarming door middel van thermostatische kranen of door een kamerthermostaat met tijdsinschakeling;

7° uitgaven voor een energie-audit van de woning.

De belastingvermindering is niet van toepassing op uitgaven die:

a) in aanmerking genomen zijn als werkelijke beroepskosten;

b) recht geven op de in artikel 69 vermelde investeringsaftrek.

De belastingvermindering is gelijk aan het volgende percentage van de werkelijk gedane uitgaven:

a) 15 % voor de in het eerste lid, 1° tot 3°bis, genoemde uitgaven;

b) 40 % voor de in het eerste lid, 4° tot 7°, genoemde uitgaven.

Het totaal van de verschillende belastingverminderingen mag per belastbaar tijdperk niet meer dan 500 euro per woning bedragen.

Het in het vorige lid bedoelde bedrag kan door de Koning worden verhoogd tot 1.000 euro bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad.

Bij een gemeenschappelijke aanslag wordt de belastingvermindering evenredig omgedeeld in functie van het aandeel van elk der echtgenoten in het kadastraal inkomen van de woning waarin de werken zijn uitgevoerd.

De Koning bepaalt de voorwaarden waaraan de werken in verband met de in het eerste lid bedoelde uitgaven moeten voldoen.