Artikel 269, WIB 92
Art. 269, eerste lid, 5°, heeft uitwerking op de inkomsten die worden toegekend of betaalbaar gesteld vanaf 01.01.2012 en die ophouden uitwerking te hebben op de inkomsten die worden toegekend of betaalbaar gesteld vanaf 01.01.2013 (art. 173 en 174, W 25.04.2014 - B.S. 07.05.2014; Numac: 2014003195)
De aanslagvoet van de roerende voorheffing is vastgesteld:
1° op 15 % voor inkomsten van roerende goederen en kapitalen die geen interest en dividenden zijn, alsmede voor diverse inkomsten als vermeld in artikel 90, 5° tot 7°;
1°bis op 21 % voor de interest andere dan deze bedoeld in de bepalingen onder 4° en 5°;
2° op 25 % voor de dividenden andere dan deze vermeld in 2°bis;
2°bis op 10 % voor uitkeringen die worden aangemerkt als dividenden in de artikelen 187 en 209 in geval van gehele of gedeeltelijke verdeling van een binnenlandse of buitenlandse vennootschap;
2°ter op 21 % voor uitkeringen die worden aangemerkt als dividenden in artikel 186 in geval van verkrijging van eigen aandelen door een binnenlandse of buitenlandse vennootschap;
3° tegen een aanslagvoet van 10, 15, 21 of 25 %, de in artikel 90, 11°, bedoelde vergoedingen voor ontbrekende coupon of voor ontbrekend lot, naargelang de toepasbare aanslagvoet op de inkomsten van roerende goederen en kapitalen en op de in artikel 90, 6° bedoelde loten, waarop die vergoedingen betrekking hebben;
4° op 25 % voor de in artikel 19ter vermelde interest;
5° op 15 % voor de inkomsten uit in artikel 21, 5°, bedoelde spaardeposito's, en in zoverre zij, wat de inkomsten betaald of toegekend aan natuurlijke personen betreft, meer bedragen dan de in de bepaling onder 5° van dat artikel bepaalde grenzen;
De aanslagvoet van 25 % wordt evenwel verlaagd tot 21 % voor dividenden van aandelen die inbrengen in geld vertegenwoordigen die in 1982 of in 1983 zijn gedaan met het oog op verrichtingen bedoeld in artikel 2 van het koninklijk besluit nr. 15 van 9 maart 1982 tot aanmoediging van de inschrijving op of de aankoop van aandelen of bewijzen van deelgerechtigdheid in Belgische vennootschappen, en die genoteerd zijn op een beurs voor roerende waarden wanneer de vennootschap die de inkomsten uitkeert, onherroepelijk heeft verzaakt aan de overdracht, op de aan de desbetreffende aandelen uitgekeerde inkomsten:
- van de belastingbesparing die uit de ter zake voorziene vrijstelling van vennootschapsbelasting voortvloeit;
- van het eventueel aanvullend inkomen dat voortvloeit uit de bedoelde vrijstelling die de vennootschappen, in de oprichting of kapitaalverhoging waaraan de desbetreffende vennootschap rechtstreeks of onrechtstreeks heeft deelgenomen, in voorkomend geval hebben verkregen.
Voor zover de vennootschap die de inkomsten uitkeert niet onherroepelijk verzaakt aan het voordeel van deze verlaging, wordt de aanslagvoet van 25 % eveneens verlaagd tot 21 % voor de volgende dividenden:
a) dividenden van aandelen uitgegeven vanaf 1 januari 1994 door het openbaar aantrekken van spaargelden;
b) dividenden van aandelen die vanaf hun uitgifte:
- het voorwerp hebben uitgemaakt van een inschrijving op naam bij de uitgever, indien het gaat om aandelen op naam,
- in België in open bewaargeving zijn gegeven, waarvan de Koning de voorwaarden en de wijze van toepassing bepaalt, bij een kredietinstelling of een beursvennootschap die aan het toezicht van de Nationale Bank van België is onderworpen, indien het gaat om aandelen aan toonder,
- in België op een effectenrekening zijn ingeschreven op naam van de eigenaar of de houder bij een vereffeningsinstelling of erkende rekeninghouder die gemachtigd is dergelijke effecten aan te houden, en waarbij de Koning de voorwaarden en de wijze van toepassing bepaalt, indien het gaat om gedematerialiseerde aandelen, wanneer die aandelen werden uitgegeven vanaf 1 januari 1994 ter vertegenwoordiging van maatschappelijk kapitaal en overeenstemmen met inbrengen in geld.
c) dividenden uitgekeerd door beleggingsvennootschappen als bedoeld in de artikelen 14, 19 en 24 van de wet van 20 juli 2004 betreffende bepaalde vormen van collectief beheer van beleggingsportefeuilles, alsmede door in artikel 130 van dezelfde wet bedoelde beleggingsvennootschappen van gelijke aard;
d) dividenden van aandelen uitgekeerd door vennootschappen gevestigd in een lidstaat van de Europese Economische Ruimte die op een beurs voor roerende waarden genoteerd zijn of waarvan een deel van het kapitaal is ingebracht door een PRIVAK en waarvan de aandelen die de meerderheid van het stemrecht vertegenwoordigen voor meer dan de helft toebehoren aan één of meer natuurlijke personen:
- voor de periode tussen 1 juli 1997 en de datum waarop de eerste toekenning of betaalbaarstelling van de dividenden na die datum plaats heeft, wanneer het gaat om vennootschappen die reeds op een beurs voor roerende waarden waren genoteerd voor 1 juli 1997;
- voor de periode tussen de datum van hun toelating op een beurs voor roerende waarden en de datum van de eerste toekenning of betaalbaarstelling van de dividenden die na die datum plaats heeft, wanneer het gaat om andere vennootschappen.
Onder beurs voor roerende waarden moet, vanaf het in werking treden van de wet van 2 augustus 2002 betreffende het toezicht op de financiële sector en de financiële diensten, worden verstaan een gereglementeerde markt bedoeld in artikel 2, eerste lid, 5° en 6°, van deze wet.
Wordt gelijk gesteld met een gereglementeerde markt voor roerende waarden, een multilaterale handelsfaciliteit in de zin van artikel 2, eerste lid, 4°, van de wet van 2 augustus 2002 betreffende het toezicht op de financiële sector en de financiële diensten, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 27 april 2007 tot omzetting van de Europese richtlijn 2004/39/CE betreffende de markten voor financiële instrumenten wanneer deze faciliteit wordt geëxploiteerd door een marktonderneming in de zin van artikel 2, eerste lid, 7°, van dezelfde wet.
Voor de toepassing van dit punt, worden beleggingsvennootschappen die in een lidstaat van de Europese Economische Ruimte beantwoorden aan de kenmerken van een instelling voor collectieve belegging als bedoeld in artikel 119 van de wet van 20 juli 2004, waarvan de effecten volgens de in die lidstaat overeenkomstige bepalingen met betrekking tot het openbaar beroep op het spaarwezen privaat worden aangehouden, gelijkgesteld met de private PRIVAK bedoeld in artikel 119 van dezelfde wet.
e) de dividenden toebedeeld door een coöperatieve participatievennootschap in het kader van een participatieplan bedoeld in artikel 2, 7°, van de wet van 22 mei 2001 betreffende de werknemersparticipatie in het kapitaal en in de winst van de vennootschappen, aan de toegetreden werknemers, bedoeld in artikel 2, 19°, van deze wet, in de mate dat de door de coöperatieve participatievennootschap ontvangen dividenden, bij gebrek aan vrijstelling, zouden genoten hebben van de aanslagvoet van 21 %.
Voor de toepassing van het derde lid, b, met betrekking tot aandelen aan toonder die in België in open bewaargeving zijn gegeven, blijft de omzetting ervan in gedematerialiseerde aandelen op een effectenrekening bij een vereffeningsinstelling of gemachtigde erkende rekeninghouder zonder gevolgen voor de beoordeling van de voorwaarde van permanentie vanaf de uitgifte.
De in het tweede lid en in het derde lid, a en b, bedoelde aanslagvoet van 21 % is slechts van toepassing voor zover de aandelen waarop de dividenden betrekking hebben geen enkel voorrecht toekennen ten opzichte van de andere door de vennootschap uitgegeven aandelen.
Voor de in het derde lid, a en b, vermelde vennootschappen die na 31 december 1993 hun kapitaal verminderen, worden de kapitaalverhogingen waartoe zij overgaan slechts in aanmerking genomen in de mate dat zij meer bedragen dan die kapitaalverminderingen.
Deze kapitaalverhogingen worden evenwel geheel in aanmerking genomen wanneer de kapitaalverminderingen beantwoorden aan rechtmatige financiële of economische behoeften.
Worden geacht aan de in het voorafgaande lid vermelde voorwaarde te beantwoorden, de kapitaalverminderingen gebruikt om verliezen boekhoudkundig aan te zuiveren of om onbeschikbare reserves aan te leggen.
Ingeval van overdracht door de natuurlijke personen of rechtspersonen door of namens wie de oprichtingsakte is ondertekend, of, in geval van oprichting bij openbare inschrijving, die de ontwerp-oprichtingsakte hebben ondertekend, door de aandeelhouders, bestuurders, zaakvoerders of vennoten van de vennootschap die de overdracht verkrijgt van, hetzij goederen die voor 1 januari 1994 voor het uitoefenen van de beroepswerkzaamheid zijn aangewend, hetzij aandelen die deel hebben uitgemaakt van hun privaat vermogen, hetzij goederen die hebben toegehoord aan een vennootschap waarvan zij voor 1 januari 1994 aandeelhouders, bestuurders, zaakvoerders of vennoten waren, wordt alleen het bedrag van die inbreng in geld, dat meer bedraagt dan de overdrachtprijs, in aanmerking genomen voor de toepassing van het derde lid, a en b.
Het voorafgaande lid is van toepassing op de overdracht gedaan door een natuurlijke persoon of een rechtspersoon die in eigen naam, maar voor rekening van een in dat lid vermelde persoon, handelt.
In de mate dat de in het tweede lid, en in het derde lid, a en b, vermelde aandelen, worden omgeruild tegen aandelen uitgegeven vanaf 1 januari 1994 naar aanleiding van een fusie, een splitsing, een met splitsing gelijkgestelde verrichting of het aannemen van een andere rechtsvorm tot stand gebracht in toepassing van hetzij de artikelen 211, § 1 of 214, § 1, hetzij van bepalingen van gelijke aard van een andere lidstaat van de Europese Unie, blijven de bepalingen van dit artikel inzake de omgeruilde aandelen, bij voortduur van toepassing op de in ruil ontvangen aandelen, alsof de verrichting niet had plaatsgevonden. Dienaangaande wordt de afgifte van aandelen ter gelegenheid van een met splitsing gelijkgestelde verrichting gelijkgesteld met de omruiling van aandelen ingevolge splitsing.
Wanneer het aandelen betreft die worden vertegenwoordigd door een mantel met een couponblad waarvan de coupons het recht op dividend vertegenwoordigen en een couponblad 'STRIP-VV' of in geval van gedematerialiseerde aandelen met een gedematerialiseerd couponblad waarvan de gedematerialiseerde coupons het recht op dividend vertegenwoordigen en met een gedematerialiseerd couponblad 'STRIP-VV', is de aanslagvoet van 21 % van toepassing, in afwijking van het tweede lid en het derde lid, a, op voorwaarde dat de dividenden betaald worden:
1° tegen gelijktijdige aanbieding ter inning van een coupon die het recht op dividend vertegenwoordigt, en een coupon 'STRIP-VV' met hetzelfde volgnummer of gelijktijdige aanbieding van een gedematerialiseerde coupon die het recht op dividend vertegenwoordigt en een gedematerialiseerde coupon 'STRIP-VV' met hetzelfde volgnummer, en
2° in een tijdperk van drie jaar dat aanvangt op 1 januari van het jaar waarin het dividend wordt toegekend.
