Artikel 225, WIB 92

Art. 225, tweede lid, 5°, treedt in werking op 01.01.2018 (art. 32 en 36, W 30.03.2018 - B.S. 07.05.2018; Numac: 2018011632)

[Het Grondwettelijk Hof, bij arrest nr. 11/2020 van 23.01.2020 (B.S. 24.02.2020; Numac: 2020200521), vernietigt de wet van 30.03.2018 "betreffende de invoering van een mobiliteitsvergoeding" en handhaaft de gevolgen van de vernietigde wet totdat, in voorkomend geval, nieuwe wetsbepalingen in werking treden en uiterlijk tot en met 31.12.2020]


De belasting met betrekking tot in artikel 221 vermelde inkomsten is gelijk aan de onroerende en roerende voorheffing.

De belasting wordt berekend:

1° tegen het tarief van 20 % op de inkomsten vermeld in artikel 222, 1° tot 3°;

2° tegen het tarief van 33 % of van 16,5 % op in artikel 222, 4°, vermelde meerwaarden, volgens het onderscheid in artikel 171, 1°, b, en 4°, d;

3° tegen het tarief van 16,5 % op in artikel 222, 5° en 6°, vermelde meerwaarden;

4° tegen het tarief van 100 % op in artikel 223, eerste lid, 1°, vermelde niet verantwoorde kosten en voordelen van alle aard en op in artikel 223, eerste lid, 3°, vermelde financiële voordelen of voordelen van alle aard, tenzij kan worden aangetoond dat de verkrijger van die kosten, die voordelen van alle aard en die financiële voordelen een rechtspersoon is, in welke gevallen de aanslag gelijk is aan 50 %.

5° tegen het tarief bedoeld in artikel 215, eerste lid, op de in artikel 223, eerste lid, 2°, bedoelde bijdragen, premies, pensioenen, renten en toelagen, op de in artikel 223, eerste lid, 3°, bedoelde financiële voordelen of voordelen van alle aard en op de in artikel 223, eerste lid, 4°, 4°bis, 5° en 5°bis, bedoelde bedragen;

6° tegen het tarief van 25 % op in artikel 224 vermelde dividenden.