Artikel 62bis, Wetboek van de Btw

Artikel 62bis (actuele versie)

(De tekst van art. 62bis, tweede lid, werd vervangen met ingang van 31.12.2020 (Art. 19, W 20.12.2020, B.S. 30.12.2020 – Ed. 1, pg. 96068, Numac: 2020044541. De inwerkingtreding werd bepaald bij art. 21))

In afwijking van de artikelen 61, § 1, en 62, § 1, mogen de ambtenaren van de administratie belast met de belasting over de toegevoegde waarde, teneinde de juiste toepassing van de belasting in hoofde van derden na te gaan, de voorlegging ter inzage van de andere dan in artikel 60, § 4, eerste lid, bedoelde boeken en stukken alsmede het verstrekken van inlichtingen door de Bank van De Post, de bank-, wissel-, krediet- en spaarinstellingen slechts vorderen wanneer zij op grond van een machtiging verleend door de door de Minister van Financiën daartoe aangewezen ambtenaar optreden.

De ambtenaren van de administratie belast met de belasting over de toegevoegde waarde met ten minste de graad van adviseur-generaal hebben de machtiging om, wanneer de administratie over een of meer aanwijzingen van belastingontduiking beschikt, de in artikel 322, § 3, eerste lid, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 bedoelde beschikbare gegevens over een schuldenaar op te vragen bij het centraal aanspreekpunt van de Nationale Bank van België.

De in het vorige lid vermelde machtiging wordt slechts verleend als alle andere wettelijke middelen voor het bekomen van de gewenste inlichtingen of informatie, behoudens het visitatierecht voorzien in artikel 63 uitgeput zijn en na de bevraging van de schuldenaar. Bij die bevraging wordt aan de schuldenaar meegedeeld dat bij gebreke aan antwoord het in het tweede lid bedoelde contactpunt zal worden geraadpleegd.

De raadpleging van het in het tweede lid bedoeld centraal aanspreekpunt gebeurt volgens de nadere regels in toepassing van artikel 322, § 3, derde lid, 3°, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992.