Artikel 74, Wetboek van de Btw
Artikel 74 (actuele versie)
(De tekst van art. 74, § 2, eerste lid, werd gewijzigd; § 2, tweede lid, werd vervangen en § 3, eerste lid, werd gewijzigd met ingang van 01.01.2020 (Art. 112, W 05.05.2019, B.S. 24.05.2019, pg. 50023))
§ 1. De strafvordering wordt uitgeoefend door het openbaar ministerie.
§ 2. Het openbaar ministerie kan geen vervolging instellen indien het kennis heeft gekregen van de feiten ten gevolge van een klacht of een aangifte van een ambtenaar die niet de machtiging had waarvan sprake is in artikel 29, § 2, van het Wetboek van strafvordering.
Het openbaar ministerie beslist om al dan niet de strafvervolging in te stellen van de feiten waarvan het kennis heeft genomen gedurende het overleg bedoeld in artikel 29, § 3, tweede lid, van het Wetboek van strafvordering binnen de 3 maanden na de initiële aangifte bedoeld in artikel 29, § 3, eerste lid, van hetzelfde Wetboek.
§ 3. Onverminderd het in artikel 29, § 3, tweede lid, van het Wetboek van strafvordering bedoelde overleg, kan de procureur des Konings, indien hij een vervolging instelt wegens feiten die strafrechtelijk strafbaar zijn ingevolge de bepalingen van dit Wetboek of van de ter uitvoering ervan genomen besluiten, het advies vragen van de bevoegde adviseur-generaal. De procureur des Konings voegt het feitenmateriaal waarover hij beschikt bij zijn verzoek om advies. De adviseur-generaal antwoordt op dit verzoek binnen vier maanden na de ontvangst ervan.
In geen geval schorst het verzoek om advies de strafvordering.
