Artikel 59, Wetboek van de Btw

Artikel 59 (actuele versie)

(De tekst van art. 59, § 1, derde lid, werd ingevoegd met ingang van 04.04.2022 (Art. 15, W 17.03.2022, B.S. 25.03.2022, pg. 24484, Numac: 2022020530))

§ 1. Iedere overtreding of elk misbruik van de bepalingen van dit Wetboek of van de ter uitvoering ervan gegeven regelen, alsmede feiten die de opeisbaarheid van de belasting of van een geldboete aantonen of ertoe bijdragen die aan te tonen, kunnen door de administratie worden bewezen volgens de regelen en door alle middelen van het gemene recht, getuigen en vermoedens inbegrepen, doch uitgezonderd de eed, en daarenboven door de processen-verbaal van de ambtenaren van de Federale Overheidsdienst Financiën.

De processen-verbaal leveren bewijs op zolang het tegendeel niet is bewezen.

Onverminderd de toepassing van artikel 93quaterdecies, § 1, derde lid, kunnen de bewijselementen die door de fiscale ambtenaren van de Federale Overheidsdienst Financiën zoals bedoeld in artikel 63ter, § 1, worden verzameld tijdens hun medewerking aan een gemengd multidisciplinair onderzoeksteam zoals bedoeld in artikel 63ter, § 2, worden gebruikt ter bepaling van het bestaan en van het bedrag van de belastingschuld alsook ter vaststelling van een overtreding van de bepalingen van dit Wetboek of van de ter uitvoering ervan genomen besluiten.

§ 2. Onverminderd de in § 1 genoemde bewijsmiddelen, is de door de Koning aangewezen ambtenaar of de schuldenaar van de belasting bevoegd een deskundige schatting te vorderen om de normale waarde van de in artikel 36, §§ 1 en 2, bedoelde goederen en diensten te bepalen.

Die bevoegdheid bestaat eveneens ten aanzien van de diensten bedoeld in artikel 19, § 2, 1°, wanneer ze betrekking hebben op de oprichting van een gebouw.

De Koning geeft regelen in verband met de schattingsprocedure. Hij bepaalt de termijn waarbinnen die procedure moet worden ingesteld en wijst aan wie de kosten ervan moet dragen.