Artikel 66, Wetboek van de Btw
Artikel 66 (actuele versie)
(De tekst van art. 66, eerste lid, werd vervangen, het tweede lid werd gewijzigd en het vierde lid werd opgeheven (Art. 5, Wet 12.03.2023, B.S. 23.03.2023, pg. 33328, Numac: 2023041020) met ingang van 01.01.2024 (Art. 21, 1° lid, W 12.03.2023). De datum van inwerkingtreding van de wet van 12.03.2023 werd met een jaar uitgesteld tot 01.01.2025 (Art. 35, KB 17.12.2023, B.S. 22.12.2023, pg. 120969, Numac: 2023048329))
Onverminderd de toepassing van artikel 53, § 1ter, wanneer iemand die krachtens artikel 51, §§ 1, 2 of 4, schuldenaar is van de belasting de in de artikelen 53, § 1, eerste lid, 2°, 53ter, 1°, of 53nonies, § 1, bedoelde aangifte niet heeft ingediend, geheel of ten dele in gebreke is gebleven de door dit Wetboek en de uitvoeringsbesluiten ervan voorgeschreven verplichtingen inzake het houden, het uitreiken, het bewaren of het voorleggen ter inzage van boeken of stukken na te komen, of niet heeft geantwoord op de vraag om inlichtingen bedoeld in artikel 62, kan de administratie belast met de belasting over de toegevoegde waarde ambtshalve hem een aanslag opleggen tot beloop van de belasting die verschuldigd is over het vermoedelijk bedrag van de handelingen die hij heeft verricht gedurende de maand of de maanden waarop de overtreding betrekking heeft.
De administratie kan ook ambtshalve een aanslag opleggen aan de bovengenoemde persoon die belastbare handelingen niet heeft opgetekend in het voorgeschreven boek of stuk, of die ten aanzien van dergelijke handelingen aan de medecontractant geen factuur heeft uitgereikt wanneer hij daartoe gehouden was, of een factuur heeft uitgereikt waarin de naam of het adres van de bij de handeling betrokken partijen, de aard of de hoeveelheid van de geleverde goederen of verstrekte diensten, de prijs of het toebehoren ervan, of het bedrag van de op de handeling verschuldigde belasting over de toegevoegde waarde niet juist zijn vermeld. In die gevallen kan de ambtshalve opgelegde aanslag betrekking hebben op het gehele gecontroleerde tijdvak.
Een aanslag kan evenwel niet ambtshalve worden opgelegd wanneer de in het vorige lid bedoelde overtredingen als louter toevallig dienen te worden aangemerkt, inzonderheid op grond van het aantal en het belang van de handelingen waarvoor geen regelmatige factuur is uitgereikt, vergeleken met het aantal en het belang van de handelingen waarvoor wel een regelmatige factuur is uitgereikt.
(Vierde lid, opgeheven)
