Artikel 46, Wetboek van de Btw
Artikel 46 (actuele versie)
(De tekst van art. 46, werd vervangen met ingang van 11.12.2023 (Art. 7, W 23.11.2023, B.S. 01.12.2023, pg. 111953, Numac: 2023047474 - Errata, B.S. 01.03.2024, pg. 28826, Numac: 2024001947))
§ 1. Wanneer de belastingplichtige in de uitoefening van zijn economische activiteit ook andere handelingen verricht dan handelingen waarvoor op grond van artikel 45 aanspraak op aftrek bestaat, wordt de belasting ter zake van de voor die activiteit gebruikte goederen en diensten in aftrek gebracht volgens het algemeen verhoudingsgetal gevormd door het bedrag van de laatstbedoelde handelingen ten opzichte van het totale bedrag van de door de betrokkene verrichte handelingen. Hij stelt de administratie belast met de belasting over de toegevoegde waarde voorafgaandelijk in kennis dat hij zijn recht op aftrek uitoefent in overeenstemming met deze bepaling.
Voor elk kalenderjaar wordt het in het eerste lid bedoelde algemeen verhoudingsgetal voorlopig vastgesteld aan de hand van het bedrag van de handelingen die in de loop van het vorige jaar werden verricht. Wanneer een dergelijke referentie ontbreekt of niet relevant is, wordt het verhoudingsgetal voorlopig door de belastingplichtige geraamd uitgaande van zijn exploitatievooruitzichten.
Het verhoudingsgetal wordt voor elk kalenderjaar definitief vastgesteld op basis van de tijdens dat kalenderjaar uitgevoerde handelingen.
De belastingplichtige brengt de in het tweede en het derde lid bedoelde verhoudingsgetallen ter kennis aan de administratie belast met de belasting over de toegevoegde waarde.
Indien het in het derde lid bedoelde definitieve algemeen verhoudingsgetal groter is dan het in het tweede lid bedoelde voorlopige algemeen verhoudingsgetal, mag de belastingplichtige een bijkomende aftrek verrichten die gelijk is aan het verschil tussen de aftrek berekend overeenkomstig het definitieve verhoudingsgetal en de aftrek berekend overeenkomstig het voorlopige verhoudingsgetal. In het tegenovergestelde geval moet de belastingplichtige een bedrag aan belasting terugstorten gelijk aan het vastgestelde verschil.
De belastingplichtige die, op 31 december 2023, het recht op aftrek uitoefent overeenkomstig het eerste lid, doet de in het eerste lid bedoelde kennisgeving vóór 1 juli 2024.
§ 2. In afwijking van paragraaf 1, kan de belastingplichtige, op grond van een voorafgaande kennisgeving aan de administratie belast met de belasting over de toegevoegde waarde, het recht op aftrek uitoefenen met inachtneming van het werkelijk gebruik van de goederen en diensten of van een deel daarvan.
Voor de toepassing van deze paragraaf wordt onder "het werkelijk gebruik van de goederen en diensten of een gedeelte daarvan" verstaan de bestemming van de goederen en diensten door de belastingplichtige hetzij uitsluitend voor de bedrijfssector waarvoor recht op aftrek bestaat, hetzij uitsluitend voor de bedrijfssector waarvoor geen recht op aftrek bestaat, dan wel voor die beide bedrijfssectoren samen.
De in het eerste lid bedoelde belastingplichtige past één of meer bijzondere verhoudingsgetallen toe voor de goederen en diensten die hij bestemt zowel voor de bedrijfssector waarvoor recht op aftrek bestaat, als voor de bedrijfssector waarvoor geen recht op aftrek bestaat. De belastingplichtige stelt die bijzondere verhoudingsgetallen vast overeenkomstig paragraaf 1, eerste lid, of op basis van alternatieve objectieve en verifieerbare criteria.
De belastingplichtige brengt de in het derde lid bedoelde verhoudingsgetallen ter kennis aan de administratie belast met de belasting over de toegevoegde waarde.
De belastingplichtige kan worden verplicht om het recht op aftrek uit te oefenen met inachtneming van het werkelijk gebruik van de goederen en diensten of van een deel daarvan wanneer de aftrek volgens het in paragraaf 1 bedoelde verhoudingsgetal leidt tot ongelijkheid in de heffing van de belasting.
De belastingplichtige die, op 31 december 2022, het recht op aftrek uitoefent met inachtneming van het werkelijk gebruik van de goederen en diensten of van een deel daarvan, doet de in het eerste lid bedoelde kennisgeving vóór 1 juli 2023.
§ 3. De Koning bepaalt de toepassingsmodaliteiten van dit artikel, met betrekking tot de vorm van de in paragraaf 1, eerste lid, en paragraaf 2, eerste lid, bedoelde voorafgaandelijke kennisgeving alsook de in paragraaf 1, vierde en zesde lid, en paragraaf 2, vierde en zesde lid, bedoelde kennisgevingen, de termijn waarin die kennisgevingen gebeuren, de procedure volgens dewelke de administratie de bestanddelen van de in paragraaf 2, eerste lid, bedoelde kennisgeving kan betwisten en degene volgens dewelke de belastingplichtige kan worden verplicht om het recht op aftrek uit te oefenen met inachtneming van het werkelijk gebruik overeenkomstig paragraaf 2, tweede lid.
