Artikel 23, Wetboek van de Btw
(De tekst van art. 23, § 1, 1°, werd gewijzigd met ingang van 17.07.2016 (Art. 3, W 27.06.2016, B.S. 07.07.2016, pg. 42305))
§ 1. Onder invoer van een goed moet worden verstaan:
1° het binnenkomen in de Gemeenschap van een goed dat niet voldoet aan de voorwaarden van artikel 29 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie of dat, als het onder het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal valt, zich niet in het vrije verkeer bevindt;
2° het binnenkomen in de Gemeenschap van een ander dan onder 1° bedoeld goed uit een derde land of een derdelands gebied.
§ 2. Een invoer vindt plaats in België als de overeenkomstig de §§ 3, 4 en 5 aangemerkte Lid-Staat van invoer, België is.
§ 3. De invoer van een goed vindt plaats in de Lid-Staat op het grondgebied waarvan het zich ten tijde van het binnenkomen in de Gemeenschap bevindt.
§ 4. In afwijking van § 3 vindt de invoer van een in § 1, 1°, bedoeld goed plaats in de Lid-Staat op het grondgebied waarvan het goed aan één van de volgende regelingen wordt onttrokken, wanneer vanaf het binnenkomen in de Gemeenschap, dat goed overeenkomstig de douanewetgeving:
1° bij de douane wordt aangebracht en eventueel wordt geplaatst onder een regeling van tijdelijke opslag;
2° wordt geplaatst onder een regeling voor tijdelijke invoer met volledige vrijstelling van invoerrechten;
3° wordt geplaatst onder een regeling voor extern douanevervoer;
4° wordt geplaatst onder een regeling van vrije zones of vrije entrepots;
5° wordt geplaatst onder een regeling van douane-entrepots;
6° wordt geplaatst onder een regeling van actieve veredeling met toepassing van het schorsingssysteem;
7° wordt geplaatst onder een regeling inzake de in de territoriale zee toegelaten goederen voor boor- en werkeilanden.
§ 5. In afwijking van § 3 vindt, wanneer een in § 1, 2°, bedoeld goed vanaf het binnenkomen in de Gemeenschap wordt geplaatst onder een regeling voor intern communautair douanevervoer of onder één van de door de Koning bepaalde fiscale regelingen die equivalent zijn aan de regelingen bedoeld in § 4, 1°, 2°, 4°, 5°, 6° en 7°, de invoer plaats in de Lid-Staat op het grondgebied waarvan het goed aan één van die regelingen wordt onttrokken.
