Artikel 36, Wetboek van de Btw
(De tekst van art. 36, § 3, werd gewijzigd met ingang van 07.01.2007 (Art. 116, W 27.04.2007, B.S. 08.05.2007))
§ 1. De maatstaf van heffing mag niet lager zijn dan de normale waarde zoals die is bepaald door artikel 32, eerste lid, ten aanzien van:
a) de met voldoening van de belasting over de toegevoegde waarde vervreemde gebouwen;
b) werk in onroerende staat, wanneer het betrekking heeft op te richten gebouwen.
§ 2. Wanneer de opdrachtgever meer dan één contract sluit voor de oprichting van een gebouw, mag het totaal van de maatstaven van heffing betreffende die contracten, niet lager zijn dan de normale waarde van de gezamenlijke werken.
Wanneer werken in onroerende staat betrekking hebben op de voltooiing van een gebouw dat met betaling van de belasting werd verkregen, mag het totaal van de maatstaven van heffing niet lager zijn dan het minimum dat in het vorige lid is aangegeven.
§ 3. In afwijking van artikel 32, eerste lid, kan de Koning ten aanzien van goederen en diensten bedoeld in de §§ 1 en 2, het tijdstip bepalen dat in aanmerking dient te worden genomen voor de vaststelling van de normale waarde.
