Artikel 45, Wetboek van de Btw

Artikel 45 (actuele versie)

(De tekst van art. 45, § 1, 3°, werd vervangen (Art. 5, W 21.03.2024, B.S. 09.04.2024, pg. 40955, Numac: 2024002757) met ingang van 01.01.2025 (Art. 26, W 21.03.2024))

§ 1. Op de belasting die hij verschuldigd is, mag elke belastingplichtige in aftrek brengen de belasting geheven van de aan hem geleverde goederen en verleende diensten, van de door hem ingevoerde goederen en de door hem verrichte intracommunautaire verwervingen van goederen, in de mate dat hij die goederen en diensten gebruikt voor het verrichten van:

belaste handelingen;

handelingen vrijgesteld van de belasting krachtens de artikelen 39 tot 42;

andere handelingen dan die welke zijn vrijgesteld krachtens artikel 284 van Richtlijn 2006/112/EG, verricht buiten België en waarvoor recht op aftrek zou ontstaan indien zij in België zouden zijn verricht;

handelingen bedoeld in artikel 44, § 3, 4° tot 10°, telkens wanneer de medecontractant buiten de Gemeenschap is gevestigd, of de genoemde handelingen, volgens door of vanwege de Minister van Financiën te bepalen voorwaarden, rechtstreeks samenhangen met goederen die bestemd zijn om te worden uitgevoerd naar een land buiten de Gemeenschap;

diensten als makelaar of lasthebber bij in 4° bedoelde handelingen.

§ 1bis. Voor wat betreft de belasting geheven van leveringen, invoeren en intracommunautaire verwervingen van goederen en diensten met betrekking tot een door artikel 39bis vrijgestelde levering van een nieuw vervoermiddel in de zin van artikel 8bis, § 2, kunnen de belastingplichtigen bedoeld in artikel 8bis, § 1, of in artikel 57 alsook de belastingplichtigen die uitsluitend leveringen van goederen of diensten verrichten waarvoor zij geen recht op aftrek hebben, in afwijking van § 1 de belasting slechts in aftrek brengen geheven op de levering, de invoer of de intracommunautaire verwerving van het genoemde vervoermiddel en dit binnen de grenzen of ten belope van het bedrag van de belasting dat op deze levering opeisbaar zou zijn indien ze niet vrijgesteld zou zijn op grond van genoemd artikel 39bis.

§ 1ter. Wat het beleggingsgoud betreft, gedefinieerd in artikel 1, § 8, mag elke belastingplichtige, voor zover de latere levering van dat goud is vrijgesteld krachtens artikel 44bis, § 1, eerste lid, van de door hem verschuldigde belasting in aftrek brengen:

de belasting geheven op de levering van goud hem gedaan door een persoon die heeft geopteerd voor de belastingheffing van die levering overeenkomstig artikel 44bis, § 1, tweede of derde lid;

de belasting geheven op de aankoop, de intracommunautaire verwerving of de invoer van ander dan beleggingsgoud, in de mate dat dit goud vervolgens door hem of voor zijn rekening wordt omgezet in beleggingsgoud;

de belasting geheven op de aan hem verstrekte diensten bestaande in een wijziging van de vorm, het gewicht of de zuiverheid van het goud.

§ 1quater. Elke belastingplichtige die beleggingsgoud in de zin van artikel 1, § 8, produceert of die goud in beleggingsgoud omzet, kan van de door hem verschuldigde belasting in aftrek brengen, de belasting geheven op de aankoop, de intracommunautaire verwerving of de invoer van goederen en diensten die verband houden met de productie of de omzetting van dat goud, voor zover de latere levering van dat goud is vrijgesteld krachtens artikel 44bis, § 1, eerste lid.

§ 1quinquies. Ten aanzien van de uit hun aard onroerende goederen en de andere bedrijfsmiddelen en diensten die op grond van artikel 48, § 2 aan de herziening zijn onderworpen en behoren tot het vermogen van de onderneming van de belastingplichtige, en die zowel voor de doeleinden van zijn economische activiteit als voor zijn privédoeleinden of voor de privé-doeleinden van zijn personeel of, meer algemeen, voor andere doeleinden dan deze van zijn economische activiteit worden gebruikt, mag de belastingplichtige de belasting geheven van de goederen en de diensten met betrekking tot die goederen slechts tot beloop van het gebruik voor de doeleinden van zijn economische activiteit in aftrek brengen.

§ 2. Ten aanzien van de levering, de invoer en de intracommunautaire verwerving van autovoertuigen bestemd voor het vervoer van personen en/of goederen over de weg, en ten aanzien van goederen en diensten met betrekking tot die voertuigen, mag de aftrek in geen geval hoger zijn dan 50 pct. van de betaalde belasting.

Deze bepaling is evenwel niet van toepassing op de volgende autovoertuigen:

a) de voertuigen met een maximaal toegelaten massa van meer dan 3 500 kg;

b) de voertuigen voor personenvervoer met meer dan acht zitplaatsen, die van de bestuurder niet inbegrepen;

c) de voertuigen die speciaal zijn ingericht voor het vervoer van zieken, gewonden en gevangenen en voor lijkenvervoer;

d) de voertuigen die, omwille van hun technische kenmerken, niet kunnen worden ingeschreven in het repertorium van de Dienst voor Inschrijving van de Voertuigen;

e) de voertuigen die speciaal zijn uitgerust voor het kamperen;

f) de auto's opgevat en gebouwd voor het vervoer van zaken waarvan de maximaal toegelaten massa 3.500 kg niet overschrijdt, "lichte vrachtauto's" genoemd;

g) de bromfietsen en de motorfietsen;

h) de voertuigen bestemd om te worden verkocht door een belastingplichtige die een economische activiteit uitoefent die bestaat in de verkoop van autovoertuigen;

i) de voertuigen bestemd om te worden verhuurd door een belastingplichtige die een economische activiteit uitoefent die bestaat in de verhuur van autovoertuigen aan om het even wie;

j) de voertuigen bestemd om uitsluitend te worden gebruikt voor bezoldigd personenvervoer;

k) de nieuwe voertuigen in de zin van artikel 8bis, § 2, 2°, eerste gedachtestreep, andere dan deze bedoeld onder a) tot en met j), die het voorwerp uitmaken van een op grond van artikel 39bis vrijgestelde levering. In dit geval wordt de aftrek slechts uitgeoefend binnen de grenzen of ten belope van het bedrag van de belasting dat op deze levering opeisbaar zou zijn indien ze niet vrijgesteld zou zijn op grond van voornoemd artikel 39bis.

Onder "lichte vrachtauto", bedoeld in het tweede lid, f), wordt verstaan:

a) elke auto bestaande uit een volledig van de laadruimte afgesloten enkele of dubbele cabine die ten hoogste respectievelijk twee of zes plaatsen mag bevatten, die van de bestuurder niet inbegrepen, en een open laadbak;

b) elke auto gelijktijdig bestaande uit een passagiersruimte die ten hoogste twee plaatsen mag bevatten, die van de bestuurder niet inbegrepen en een daarvan afgesloten laadruimte waarvan de afstand, tussen elk punt van de scheidingswand achter de zitplaatsen en de binnenkant van de achterzijde van de laadruimte, gemeten in de langsrichting van het voertuig, op een hoogte van 20 cm boven de vloer, steeds minstens 50 pct. dient te bedragen van de lengte van de wielbasis. Deze laadruimte moet bovendien over haar hele oppervlakte bestaan uit een van het koetswerk deel uitmakende, vaste of duurzaam bevestigde, horizontale laadvloer zonder verankeringsplaatsen voor bijkomende banken, zetels of veiligheidsgordels;

c) elke auto gelijktijdig bestaande uit een passagiersruimte die ten hoogste zes plaatsen mag bevatten, die van de bestuurder niet inbegrepen en een daarvan volledig afgesloten laadruimte waarvan de afstand, tussen elk punt van de scheidingswand achter de laatste rij zitplaatsen en de binnenkant van de achterzijde van de laadruimte, gemeten in de langsrichting van het voertuig, op een hoogte van 20 cm boven de vloer, steeds minstens 50 pct. dient te bedragen van de lengte van de wielbasis. Deze laadruimte moet bovendien over haar hele oppervlakte bestaan uit een van het koetswerk deel uitmakende, vaste of duurzaam bevestigde, horizontale laadvloer zonder verankeringsplaatsen voor bijkomende banken, zetels of veiligheidsgordels.

§ 3. Voor aftrek komt niet in aanmerking de belasting ter zake van:

leveringen en intracommunautaire verwervingen van tabaksfabrikaten;

leveringen en intracommunautaire verwervingen van geestrijke dranken, daaronder niet begrepen die welke bestemd zijn om te worden wederverkocht, om te worden verstrekt ter uitvoering van een dienst of om te worden aangeboden als handelsmonster of in het kader van een proeverij;

kosten van logies, spijzen en dranken in de zin van artikel 18, § 1, tweede lid, 10° en 11°, daaronder niet begrepen de kosten die worden gedaan:

a) voor het personeel dat buiten de onderneming belast is met een levering van goederen of een dienstverrichting;

b) door belastingplichtigen die op hun beurt dezelfde diensten onder bezwarende titel verstrekken;

kosten van onthaal.

§ 4. De reisbureaus in de zin van artikel 1, § 7, eerste lid, 2°, kunnen de belasting niet in aftrek brengen die geheven is van de goederen en de diensten die andere belastingplichtigen hen leveren ten behoeve van de prestaties bedoeld in artikel 18, § 2, tweede lid, en die rechtstreeks de afnemers ten goede komen.

§ 5. De belastingplichtigen kunnen niet in aftrek brengen de verschuldigde of betaalde belasting in de situaties bedoeld in artikel 58, § 4, 5°.

In de mate dat hij leveringen verricht onderworpen aan de bijzondere regeling van belastingheffing over de winstmarge, mag de belastingplichtige wederverkoper de verschuldigde of betaalde belasting niet in aftrek brengen in de situaties bedoeld in artikel 58, § 4, 6°.