Artikel 68, Wetboek van de Btw

Artikel 68

(De tekst van art. 68, werd ingevoerd met ingang van 01.01.1971 (Art. 68, W 03.07.1969))

§ 1. Alle goederen aanwezig op een afstand van tien kilometer of minder van de land of zeegrens, worden behoudens tegenbewijs geacht te zijn ingevoerd. Deze bepaling geldt niet ten aanzien van de goederen die, wegens de aard of de hoeveelheid ervan, niet kunnen geacht worden voor beroepsdoeleinden bestemd te zijn.

§ 2. Alle met een motor uitgeruste middelen van vervoer te land of te water, uitgezonderd zee of binnenschepen bedoeld in de artikelen 1 en 271 van boek II van het Wetboek van Koophandel, alsook de aanhangwagens voor gebruik op de weg, worden, wanneer ze zich hier te lande bevinden, geacht te zijn ingevoerd, tenzij bewezen wordt dat ze in orde zijn ten aanzien van het invoerrecht en van de bij invoer geldende verbodsbepalingen, beperkingen en controlemaatregelen.

§ 3. Bij ontstentenis van het tegenbewijs toegelaten door de §§ 1 en 2, is de belasting opeisbaar volgens de ten aanzien van invoer geldende regelen. De belasting en de bij artikel 70, § 1, ingestelde geldboete zijn hoofdelijk verschuldigd door de importeur, de eigenaar, de houder en indien het om een voertuig gaat, de bestuurder ervan.