Artikel 81bis, Wetboek van de Btw
(De tekst van art. 81bis, § 1, eerste lid en § 2, werd gewijzigd (Art. 12, W 20.11.2022, B.S. 30.11.2022, pg. 88145, Numac: 2022034191) met ingang van 01.01.2023 (Art. 38, W 20.11.2022). En in § 1 werd tussen het eerste en het tweede lid een lid ingevoegd; in het vroegere tweede lid, dat het derde lid werd, werd de bepaling onder 4° opgeheven; tussen het vroegere tweede lid, dat het derde lid werd, en het vroegere derde lid, dat het vierde lid werd, werd een lid ingevoegd en het derde lid, dat het vijfde lid werd, werd vervangen (Art. 104, W 20.11.2022) eveneens met ingang van 01.01.2023 (Art. 105, W 20.11.2022)) (*)
§ 1. Er is verjaring voor de vordering tot voldoening van de belasting, van de nalatigheidsinteresten en van de administratieve geldboeten, na het verstrijken van het derde kalenderjaar volgend op dat waarin de oorzaak van opeisbaarheid van die belasting, nalatigheidsinteresten en administratieve geldboeten zich heeft voorgedaan.
Bij niet-indiening van de in artikel 53, § 1, eerste lid, 2°, bedoelde aangifte of laattijdige indiening ervan, wordt de in het eerste lid bedoelde termijn verlengd tot het vierde kalenderjaar volgend op dat waarin de oorzaak van opeisbaarheid van die belasting, interesten en administratieve geldboeten zich heeft voorgedaan.
In afwijking van het eerste lid is er evenwel verjaring na het verstrijken van het zevende kalenderjaar volgend op dat waarin de oorzaak van opeisbaarheid zich heeft voorgedaan, wanneer:
1° een inlichting, een onderzoek of een controle aantoont dat belastbare handelingen niet werden aangegeven in België, dat er handelingen ten onrechte werden vrijgesteld of dat er onrechtmachtige belastingaftrekken werden toegepast en de inlichting werd meegedeeld of verzocht of het onderzoek of de controle werd uitgevoerd of verzocht door, hetzij een andere lidstaat van de Europese Unie, overeenkomstig de regels daartoe bepaald in dit Wetboek of in de regelgeving van deze Unie, hetzij een bevoegde overheid van enig ander land waarmee België een overeenkomst heeft gesloten tot het vermijden van dubbele belasting of waarvoor een rechtsgrond bestaat die het uitwisselen van inlichtingen regelt, in verband met de belasting waarop die overeenkomst of die rechtsgrond van toepassing is;
2° een rechtsvordering aantoont dat, in België, belastbare handelingen niet werden aangegeven, handelingen ten onrechte werden vrijgesteld of belastingaftrekken werden toegepast met overtreding van de wettelijke en verordeningsbepalingen die erop van toepassing zijn;
3° bewijskrachtige gegevens, waarvan de administratie kennis heeft gekregen, aantonen dat belastbare handelingen niet werden aangegeven in België, dat er handelingen ten onrechte werden vrijgesteld of dat er belastingaftrekken werden toegepast met overtreding van de wettelijke en verordeningsbepalingen die daarop van toepassing zijn;
4° (Opgeheven)
In afwijking van het eerste tot en met het derde lid, is er evenwel verjaring na het verstrijken van het tiende kalenderjaar volgend op dat waarin de oorzaak van opeisbaarheid zich heeft voorgedaan, wanneer de overtreding bedoeld in de artikelen 70 of 71 begaan is met bedrieglijk opzet of met het oogmerk te schaden.
Voor de toepassing van het derde en het vierde lid, mag de ontvangst van de inlichting afkomstig van het buitenland, de rechtsvordering, de kennisname van de bewijskrachtige elementen of van de aanwijzingen van belastingontduiking, respectievelijk bedoeld in het derde lid, 1° tot en met 3°, en het vierde lid, zowel voor als na het verstrijken van de in het eerste en tweede lid bedoelde verjaringstermijn plaatsvinden.
§ 2. Indien de in artikel 59, § 2, bedoelde procedure uitwijst dat de belasting over een ontoereikende maatstaf werd voldaan, verjaart de vordering tot voldoening van de aanvullende belasting, van de nalatigheidsinteresten, van de administratieve geldboeten en van de procedurekosten, door verloop van twee jaar te rekenen van de laatste daad in die procedure.
(*) Artikel 81bis, § 1, W.Btw, zoals gewijzigd door de artikel 104, W 20.11.2022, is van toepassing op de belastingen die opeisbaar geworden zijn vanaf 1 januari 2023. De belastingen waarvan de opeisbaarheid zich heeft voorgedaan voor 1 januari 2023 blijven onderworpen aan de verjaringstermijnen van de vordering tot invordering bedoeld in artikel 81bis van het wetboek zoals deze van toepassing was voor de inwerkingtreding [01.01.2023] van deze wijziging. (Art. 105, W 20.11.2022).
