Artikel 93undeciesC, Wetboek van de Btw

Artikel 93undeciesC

(De tekst van art. 93undeciesC, § 1, eerste lid, werd gewijzigd met ingang van 01.05.2019 (Art. 86, W 17.03.2019, B.S. 10.05.2019, pg. 45450). Die wijziging van § 1, eerste lid werd later nogmaals gewijzigd (Art. 24, W 20.12.2021, B.S. 28.12.2021, pg. 125177, Numac:2021034484), eveneens met ingang van 01.05.2019 (Art. 30, W 20.12.2021) (*))

§ 1. In geval van tekortkoming, door een aan de BTW onderworpen vennootschap of door een vereniging zonder winstoogmerk, een internationale vereniging zonder winstoogmerk of een buitenlandse vereniging wanneer deze verenigingen meer dan één van de criteria bedoeld in artikel 3:47, § 2, eerste lid, van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen overschrijden, aan haar verplichting tot het betalen van de belasting, van de interesten of van de bijkomende kosten, zijn de bestuurder of bestuurders van de vennootschap of van de rechtspersoon die belast zijn met de dagelijkse leiding van de vennootschap of van de rechtspersoon hoofdelijk aansprakelijk voor de tekortkoming indien die te wijten is aan een fout in de zin van artikel 1382 van het Burgerlijk Wetboek, die ze hebben begaan bij het besturen van de vennootschap of de rechtspersoon. (*)

Deze hoofdelijke aansprakelijkheid kan worden uitgebreid naar de andere bestuurders van de vennootschap of van de rechtspersoon indien in hunnen hoofde een fout wordt aangetoond die heeft bijgedragen tot de in het eerste lid bedoelde tekortkoming.

Onder bestuurder van een vennootschap of van een rechtspersoon in de zin van dit artikel wordt verstaan, elke persoon die, in feite of in rechte, de bevoegdheid heeft of heeft gehad om de vennootschap of de rechtspersoon te besturen, met uitsluiting van de gerechtelijke mandatarissen.

§ 2. De herhaalde niet-betaling van de voormelde belastingschuld door de vennootschap of door de rechtspersoon, wordt, behoudens tegenbewijs, vermoed voort te vloeien uit een in § 1, eerste lid, bedoelde fout.

Onder herhaalde inbreuken op de verplichting tot betaling van de belasting in de zin van dit artikel, wordt verstaan:

- ofwel, voor een belastingplichtige die gehouden is tot het indienen van trimestriële aangiften inzake BTW, het gebrek aan betaling van ten minste twee eisbare schulden binnen een periode van een jaar;

- ofwel, voor een belastingplichtige die gehouden is tot indienen van maandelijkse aangiften inzake BTW, het gebrek aan betaling van ten minste drie eisbare schulden binnen een periode van een jaar.

§ 3. Er is geen vermoeden van fout in de zin van § 2, eerste lid, indien de niet-betaling het gevolg is van financiële moeilijkheden die aanleiding hebben gegeven tot het openen van de procedure van gerechtelijke reorganisatie, van faillissement of van gerechtelijke ontbinding.

§ 4. De hoofdelijke aansprakelijkheid van de bestuurders van de vennootschap of van de rechtspersoon kan slechts worden ingeroepen voor de betaling, in hoofdsom en toebehoren, van de schulden inzake BTW.

§ 5. De rechtsvordering tegen aansprakelijke bestuurders is slechts ontvankelijk indien ze wordt ingesteld na het verstrijken van een termijn van één maand te rekenen vanaf een door de ontvanger bij ter post aangetekende brief verzonden kennisgeving, waarin de geadresseerde verzocht wordt de nodige maatregelen te treffen om de tekortkoming te verhelpen of aan te tonen dat deze niet het gevolg is van een door hen begane fout.

Deze bepaling verhindert evenwel niet dat de met de invordering belaste ambtenaar, binnen voormelde termijn, bewarende maatregelen vordert ten laste van het vermogen van de bestuurder of bestuurders van de vennootschap of rechtspersoon aan wie een kennisgeving is toegezonden.

§ 6. Wanneer een insolventieprocedure geopend is, wordt de vordering bedoeld in het huidig artikel, ingesteld voor de insolventierechtbank bedoeld in artikel I.22 van het Wetboek economisch recht.

§ 7. Indien een vordering bedoeld in artikel XX.225 van het Wetboek economisch recht is ingesteld, wordt het bedrag dat op grond van paragraaf 5 aan de fiscale overheid toekomt, toegerekend op het bedrag gevorderd op grond van die vordering.

(*) Vóór de tweede wijziging met ingang van 01.05.2019 (Art. 24, W 20.12.2021), luidde § 1, eerste lid als volgt:

§ 1. In geval van tekortkoming, door een aan de BTW onderworpen vennootschap of door een vereniging of stichting respectievelijk bedoeld in artikel 3:47, § 3 of artikel 3:51, § 1 tot 4, van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen, aan haar verplichting tot het betalen van de belasting, van de interesten of van de bijkomende kosten, zijn de bestuurder of bestuurders van de vennootschap of van de rechtspersoon die belast zijn met de dagelijkse leiding van de vennootschap of van de rechtspersoon hoofdelijk aansprakelijk voor de tekortkoming indien die te wijten is aan een fout in de zin van artikel 1382 van het Burgerlijk Wetboek, die ze hebben begaan bij het besturen van de vennootschap of de rechtspersoon.