Artikel 51bis, Wetboek van de Btw
Artikel 51bis (actuele versie)
(De tekst van art. 51bis, § 3bis, werd ingevoegd (Art. 17, 2°, W 23.11.2023, B.S. 01.12.2023, pg. 111953, Numac: 2023047474 - Errata, B.S. 01.03.2024, pg. 28826, Numac: 2024001947) met ingang van 01.01.2024 (§ 3bis, zoals ingevoegd bij artikel 17, 2°, is van toepassing op de belasting die opeisbaar is vanaf 1 januari 2024 - Art. 18, W 23.11.2023)) (*)
§ 1. De medecontractant van de schuldenaar van de belasting :
1° krachtens artikel 51, § 1, 1°, en §§ 2 en 4, is met deze tegenover de Staat hoofdelijk gehouden tot voldoening van de belasting wanneer de factuur of het als zodanig geldend stuk, waarvan het uitreiken is voorgeschreven door de artikelen 53 en 54 of door de ter uitvoering ervan genomen besluiten, niet werd uitgereikt of een onjuiste vermelding bevat ten aanzien van de naam, het adres of het BTW-identificatienummer van de bij de handeling betrokken partijen, de aard of de hoeveelheid van de geleverde goederen of verstrekte diensten of de prijs of het toebehoren ervan;
2° krachtens artikel 51, § 1, 2°, is met deze tegenover de Staat hoofdelijk gehouden tot voldoening van de belasting wanneer de factuur of het als zodanig geldend stuk niet werd uitgereikt of een onjuiste vermelding bevat ten aanzien van de naam, het adres of het BTW-identificatienummer van de bij de handeling betrokken partijen, de aard of de hoeveelheid van de verworven goederen of de prijs of het toebehoren ervan;
3° krachtens artikel 51, § 1, 1°, is eveneens met deze tegenover de Staat hoofdelijk gehouden tot voldoening van de belasting wanneer de factuur of het als zodanig geldend stuk het bedrag van de op de handeling verschuldigde belasting niet of onjuist vermeldt;
4° krachtens artikel 51, §§ 2 en 4, is eveneens met deze tegenover de Staat hoofdelijk gehouden tot voldoening van de belasting wanneer hij een bedrag aanrekent als belasting.
§ 2. De medecontractant van degene die krachtens artikel 51, § 1, 1°, schuldenaar is van de belasting, die de identiteit van zijn leverancier of dienstverrichter aantoont en bewijst hem de prijs en de bijhorende belasting of een deel daarvan te hebben betaald, is in de in § 1 bedoelde situaties evenwel in die mate van de hoofdelijke aansprakelijkheid ontslagen.
§ 3. In de regeling entrepot ander dan douane-entrepot, zijn de depothouder, degene die zich belast met het vervoer van de goederen uit het entrepot alsook, in voorkomend geval, zijn lastgever, tegenover de Staat hoofdelijk gehouden tot voldoening van de belasting met de persoon die er krachtens de artikelen 51, § 1, 1° en 2°, § 2, eerste lid, 3°, 4° en 5°, of 52, § 1, tweede lid, schuldenaar van is.
Onder voorbehoud van artikel 55, § 4, tweede lid, is de persoon bedoeld in het eerste lid die ter goeder trouw is of die aantoont dat hij geen fout heeft begaan of nalatig is geweest, van de hoofdelijke aansprakelijkheid ontslagen.
§ 3bis. Elke belastingplichtige die via het gebruik van een elektronische interface zoals een marktplaats, platform, portaal of soortgelijk middel, leveringen van goederen die in België plaatsvinden faciliteert in de zin van artikel 5 ter van de Uitvoeringsverordening (EU) nr. 282/2011 van de Raad van 15 maart 2011 houdende vaststelling van maatregelen ter uitvoering van Richtlijn 2006/112/EG betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde, is tegenover de Staat hoofdelijk gehouden tot voldoening van de op die leveringen verschuldigde belasting met de leverancier die er krachtens artikel 51, § 1, 1°, schuldenaar van is, wanneer hij niet te goeder trouw is of een fout of nalatigheid heeft begaan met betrekking tot de volgende leveringen van goederen:
1° leveringen van goederen waarvan de plaats van aanvang en aankomst van de verzending of van het vervoer in België gelegen is, leveringen zonder vervoer in België en intracommunautaire afstandsverkopen van goederen:
a) verricht door niet in de Gemeenschap gevestigde belastingplichtigen voor in artikel 1, § 20, 1°, bedoelde belastingplichtige afnemers;
b) verricht door in de Gemeenschap gevestigde belastingplichtigen voor in artikel 1, § 20, 1°, bedoelde afnemers;
2° afstandsverkopen van uit een derdelandsgebied of een derde land ingevoerde goederen, in zendingen met een intrinsieke waarde van meer dan 150 euro, wanneer de leverancier optreedt als geadresseerde van de goederen bij invoer.
Onder voorbehoud van artikel 55, § 4, tweede lid, wordt de in het eerste lid bedoelde belastingplichtige voor de toepassing van dat lid geacht:
1° nalatig te zijn geweest wanneer hij, vóór de aanvang van de facilitering en vervolgens minstens één maal per kalenderjaar, niet heeft nagegaan of de leverancier die de in het eerste lid bedoelde leveringen van goederen heeft verricht over een geldig btw-identificatienummer beschikt, dat aan hem overeenkomstig artikel 50, § 1, eerste lid, 1° of 3°, werd toegekend of dat aan hem overeenkomstig artikel 369quinquies van Richtlijn 2006/112/EG werd toegekend door een andere lidstaat;
2° niet te goeder trouw te zijn wanneer hij niet:
a) binnen een termijn van een maand nadat de administratie belast met de belasting over de toegevoegde waarde hem een eerste keer heeft meegedeeld dat er ernstige vermoedens bestaan dat een leverancier van wie de belastingplichtige in het eerste lid bedoelde leveringen van goederen faciliteert via zijn elektronische interface de aangifte- en betalingsverplichtingen met betrekking tot die handelingen niet correct vervult, die leverancier heeft aangemaand om die verplichtingen correct na te komen;
b) binnen een termijn van een maand nadat de administratie belast met de belasting over de toegevoegde waarde hem een tweede keer heeft meegedeeld dat er ernstige vermoedens bestaan dat een leverancier van wie de belastingplichtige in het eerste lid bedoelde leveringen van goederen faciliteert via zijn elektronische interface de aangifte- en betalingsverplichtingen met betrekking tot die handelingen niet correct vervult, die leverancier opnieuw heeft aangemaand om die verplichtingen correct na te komen;
c) binnen een termijn van een maand nadat de administratie belast met de belasting over de toegevoegde waarde hem een derde keer heeft meegedeeld dat er ernstige vermoedens bestaan dat een leverancier van wie de belastingplichtige in het eerste lid bedoelde leveringen van goederen faciliteert via zijn elektronische interface de aangifte- en betalingsverplichtingen met betrekking tot die handelingen niet correct vervult, die leverancier van het gebruik van de elektronische interface heeft uitgesloten.
De in het tweede lid, 2°, a), bedoelde mededeling aan de in het eerste lid bedoelde belastingplichtige wordt eveneens ter kennis gebracht aan de in die mededeling bedoelde leverancier overeenkomstig de door de Koning bepaalde nadere regels. Die leverancier kan de in die mededeling opgenomen ernstige vermoedens betwisten door een administratief bezwaar in te dienen op het elektronische adres, binnen de termijn en overeenkomstig de modaliteiten, zoals bepaald door de Koning.
§ 4. Elke belastingplichtige is hoofdelijk gehouden de belasting te voldoen met de persoon die er krachtens artikel 51, §§ 1 en 2, schuldenaar van is, als hij op het tijdstip waarop hij een handeling heeft verricht, wist of moest weten dat de betaling van de belasting, in de ketting van de handelingen, niet werd gedaan of zal worden gedaan met de bedoeling de belasting te ontduiken.
(*) § 3bis, zoals ingevoegd bij artikel 17, 2°° (W 23.11.2023), is van toepassing op de belasting die opeisbaar is vanaf 1 januari 2024 (Art. 18, W 23.11.2023)
