Artikel 51bis, Wetboek van de Btw

Artikel 51bis

(Bij arrest van het Grondwettelijk Hof nr. 34/2018 d.d. 22.03.2018 (B.S. 22.05.2018, pg. 41903), werden de artikelen 29 tot 34 van de programmawet van 1 juli 2016 (B.S. 04.07.2016 – Ed. 2), vernietiging. Hierbij werd de invoering van art. 51bis, § 1bis, vernietigd met tegenstelbaarheid “erga omnes” vanaf 22.05.2018 – Het Hof handhaaft de gevolgen van de vernietigde bepalingen)

§ 1. De medecontractant van de schuldenaar van de belasting :

krachtens artikel 51, § 1, 1°, en §§ 2 en 4, is met deze tegenover de Staat hoofdelijk gehouden tot voldoening van de belasting wanneer de factuur of het als zodanig geldend stuk, waarvan het uitreiken is voorgeschreven door de artikelen 53 en 54 of door de ter uitvoering ervan genomen besluiten, niet werd uitgereikt of een onjuiste vermelding bevat ten aanzien van de naam, het adres of het BTW-identificatienummer van de bij de handeling betrokken partijen, de aard of de hoeveelheid van de geleverde goederen of verstrekte diensten of de prijs of het toebehoren ervan;

krachtens artikel 51, § 1, 2°, is met deze tegenover de Staat hoofdelijk gehouden tot voldoening van de belasting wanneer de factuur of het als zodanig geldend stuk niet werd uitgereikt of een onjuiste vermelding bevat ten aanzien van de naam, het adres of het BTW-identificatienummer van de bij de handeling betrokken partijen, de aard of de hoeveelheid van de verworven goederen of de prijs of het toebehoren ervan;

krachtens artikel 51, § 1, 1°, is eveneens met deze tegenover de Staat hoofdelijk gehouden tot voldoening van de belasting wanneer de factuur of het als zodanig geldend stuk het bedrag van de op de handeling verschuldigde belasting niet of onjuist vermeldt;

krachtens artikel 51, §§ 2 en 4, is eveneens met deze tegenover de Staat hoofdelijk gehouden tot voldoening van de belasting wanneer hij een bedrag aanrekent als belasting.

[§ 1bis. (vernietigd)]

§ 2. De medecontractant van degene die krachtens artikel 51, § 1, 1°, schuldenaar is van de belasting, die de identiteit van zijn leverancier of dienstverrichter aantoont en bewijst hem de prijs en de bijhorende belasting of een deel daarvan te hebben betaald, is in de in § 1 bedoelde situaties evenwel in die mate van de hoofdelijke aansprakelijkheid ontslagen.

§ 3. In de regeling entrepot ander dan douane-entrepot, zijn de depothouder, degene die zich belast met het vervoer van de goederen uit het entrepot alsook, in voorkomend geval, zijn lastgever, tegenover de Staat hoofdelijk gehouden tot voldoening van de belasting met de persoon die er krachtens de artikelen 51, § 1, 1° en 2°, § 2, eerste lid, 3°, 4° en 5°, of 52, § 1, tweede lid, schuldenaar van is.

Onder voorbehoud van artikel 55, § 4, tweede lid, is de persoon bedoeld in het eerste lid die ter goeder trouw is of die aantoont dat hij geen fout heeft begaan of nalatig is geweest, van de hoofdelijke aansprakelijkheid ontslagen.

§ 4. Elke belastingplichtige is hoofdelijk gehouden de belasting te voldoen met de persoon die er krachtens artikel 51, §§ 1 en 2, schuldenaar van is, als hij op het tijdstip waarop hij een handeling heeft verricht, wist of moest weten dat de betaling van de belasting, in de ketting van de handelingen, niet werd gedaan of zal worden gedaan met de bedoeling de belasting te ontduiken.