Artikel 100, Wetboek van de Btw
(De tekst van art. 100, werd gewijzigd met ingang van 01.01.1980 (Art. 75, W 08.08.1980, B.S. 15.08.1980))
§ 1. In afwijking van artikel 45 wordt de aftrek van de belasting geheven op bedrijfsmiddelen, tijdens de periode van 1 januari 1980 tot 30 juni 1980, beperkt tot het gedeelte dat 5 pct. te boven gaat wanneer die belasting betrekking heeft op investeringen die niet arbeidsscheppend of niet bijkomend zijn.
§ 2. De door een belastingplichtige gedane investeringen worden geacht arbeidsscheppend te zijn tot beloop van een bedrag gelijk aan 1.000.000 frank vermenigvuldigd met het aantal werknemers waarmee het personeelsbestand van de belastingplichtige toeneemt. De Koning bepaalt de wijze waarop de toename van het personeelsbestand wordt berekend.
§ 3. De door een belastingplichtige gedane investeringen worden geacht bijkomend te zijn in de mate dat ze meer bedragen dan twee twaalfden van het totaal van de maatstaven van heffing waarover tijdens de periode van 1 oktober 1973 tot 30 september 1976 belasting op bedrijfsmiddelen werd geheven.
Ten aanzien van de belastingplichtige die deze hoedanigheid heeft verkregen na 30 september 1973 en vóór 1 oktober 1976 wordt in de breuk van twee twaalfden bedoeld in het eerste lid, de noemer vervangen door het aantal gehele of begonnen kalenderkwartalen die begrepen zijn in de periode die loopt vanaf het begin van de belastingplicht tot 30 september 1976.
§ 4. Wanneer een belastingplichtige, onder de voorwaarden van artikel 11, bij wijze van inbreng in vennootschap of anderszins een algemeenheid van goederen of een bedrijfsafdeling heeft overgenomen in de periode van 1 oktober 1973 tot 30 juni 1980 :
1° wordt hij, voor de toepassing van § 3, geacht de hoedanigheid van belastingplichtige te hebben verkregen op het tijdstip waarop de overdrager die hoedanigheid verkregen heeft, tenzij de overnemer vóór dit tijdstip reeds belastingplichtige was ;
2° wordt het totaal van de maatstaven van heffing waarover in zijnen hoofde tijdens de periode van 1 oktober 1973 tot 30 september 1976 eventueel belasting op bedrijfsmiddelen werd geheven, verhoogd met het totaal van de maatstaven van heffing waarover met betrekking tot de overgenomen algemeenheid van goederen of bedrijfsafdeling tijdens die periode in hoofde van de overdrager zulke belasting werd geheven.
Bij afwijking van het vorige lid kan de belastingplichtige :
a) in geval van overname vóór 1 oktober 1976, het totaal van de maatstaven van heffing waarover in zijnen hoofde tijdens de in 2 bedoelde periode belasting op bedrijfsmiddelen werd geheven, verhogen met de prijs waartegen hij de van de algemeenheid van goederen of de bedrijfsafdeling deel uitmakende bedrijfsmiddelen heeft overgenomen ; onder prijs wordt hier verstaan de prijs in geld verhoogd met de lasten en andere prestaties welke de overdrager aan de overnemer oplegt ;
b) in geval van overname na 30 september 1976, ervan uitgaan dat tijdens de in 2 bedoelde periode in zijnen hoofde belasting op bedrijfsmiddelen werd geheven over een maatstaf gelijk aan de in letter a) bedoelde prijs.
§ 5. Ten aanzien van de in artikel 46 bedoelde belastingplichtige wordt voor het bepalen van de mate waarin de in § 1 bedoelde beperking geldt rekening gehouden met de wijze waarop de belastingplichtige het recht op aftrek uitoefent.
§ 6. In afwijking van de §§ 2 en 3 worden erkende leasingondernemingen als bedoeld in het K.B. nr. 55 van 10/11/1967 tot regeling van het juridisch statuut der ondernemingen gespecialiseerd in financieringshuur, alsmede ondernemingen gespecialiseerd in onroerende financieringshuur als bedoeld in artikel 18, § 2, ten aanzien van overeenkomsten van financieringshuur, geacht :
a) een investering te doen die arbeidsscheppend is wanneer de medecontractant verklaart dat die investering in zijnen hoofde arbeidsscheppend zou zijn, als bedoeld in § 2, indien hij ze zelf had gedaan. Wanneer achteraf zou blijken dat zulks niet het geval is, is de medecontractant gehouden tot terugstorting van de belasting welke de leasingonderneming op basis van zijn verklaring in aftrek heeft gebracht ;
b) een investering te doen die bijkomend is wanneer die investering bijkomend zou zijn geweest in hoofde van de medecontractant, als bedoeld in § 3, indien deze ze op het tijdstip van het sluiten van de overeenkomst zelf had gedaan.
§ 7. Ingeval de beperking bedoeld in § 1 niet werd toegepast om reden dat de gedane investering door de belastingplichtige als arbeidsscheppend werd beschouwd terwijl achteraf blijkt dat ze dat niet is, wordt, onverminderd de toepassing van de artikelen 70 tot 72 van het wetboek, een geldboete opgelegd gelijk aan 25 % van de ten onrechte in aftrek gebrachte belasting.
§ 8. De Koning bepaalt de wijze waarop de in dit artikel bedoelde beperking wordt toegepast.
