Artikel 1, Wetboek van de Btw
(De tekst van art. 1, § 9, werd ingevoegd met ingang van 26.04.2002 (Art.130, W 02.08.2002))
§ 1. Onder de naam belasting over de toegevoegde waarde wordt een omzetbelasting ingevoerd, die geheven wordt onder de voorwaarden en met inachtneming van de regelen bepaald in dit Wetboek.
§ 2. Voor de toepassing van dit Wetboek wordt verstaan onder:
1° "Lid-Staat" en "grondgebied van een Lid-Staat": het binnenland zoals dat in de §§ 3, 4 en 5, voor elke Lid-Staat wordt omschreven;
2° "Gemeenschap" en "grondgebied van de Gemeenschap": het binnenland van de Lid-Staten;
3° "derdelands gebied" en "derde land": elk ander grondgebied dan het binnenland van een Lid-Staat.
§ 3. Het "binnenland" komt overeen met de werkingssfeer van het Verdrag tot oprichting van de Europese Economische Gemeenschap zoals dit in artikel 227 voor elke Lid-Staat is omschreven.
§ 4. Het binnenland omvat niet de volgende nationale grondgebieden:
1° Bondsrepubliek Duitsland:
a) het eiland Helgoland;
b) het grondgebied van Büsingen;
2° Koninkrijk Spanje:
a) Ceuta;
b) Melilla;
3° Italiaanse Republiek:
a) Livigno;
b) Campione d'Italia;
c) de nationale wateren van het meer van Lugano;
4° Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland:
Gibraltar.
Het binnenland omvat evenmin de volgende nationale grondgebieden:
1° Koninkrijk Spanje: de Canarische Eilanden;
2° Franse Republiek: de overzeese departementen;
3° Helleense Republiek: de Berg Athos;
4° Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland: de Kanaaleilanden;
5° Republiek Finland: de Aland-eilanden.
§ 5. Voor de toepassing van dit Wetboek, worden het eiland Man en het Vorstendom Monaco geacht deel uit te maken van het nationale grondgebied van de volgende Lid-Staten:
1° Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland: het eiland Man;
2° Franse Republiek: het Vorstendom Monaco.
§ 6. Voor de toepassing van dit Wetboek wordt verstaan onder:
1° "intracommunautair goederenvervoer": vervoer van goederen waarvan de plaats van vertrek en de plaats van aankomst op het grondgebied van twee verschillende Lid-Staten zijn gelegen. Met intracommunautair goederenvervoer wordt gelijkgesteld goederenvervoer waarvan de plaats van vertrek en die van aankomst in België zijn gelegen, wanneer dit vervoer rechtstreeks samenhangt met goederenvervoer waarvan de plaats van vertrek en die van aankomst op het grondgebied van twee verschillende Lid-Staten zijn gelegen;
2° "plaats van vertrek": de plaats waar het goederenvervoer daadwerkelijk begint;
3° "plaats van aankomst": de plaats waar het goederenvervoer daadwerkelijk eindigt;
4° "accijnsprodukten": de volgende produkten zoals die omschreven zijn in de door de Europese Gemeenschappen uitgevaardigde reglementering:
a) minerale oliën;
b) alcohol en alcoholhoudende dranken;
c) tabaksfabrikaten.
§ 7. Voor de toepassing van dit Wetboek dient te worden verstaan onder:
1° " reizen ": de gehelen van samenhangende prestaties van vervoer, logies, spijs en drank om ter plaatse te worden verbruikt, ontspanning of dergelijke, verblijven tegen een vaste som welke inzonderheid logies omvatten, toeristische rondreizen, alsook het uitvoeren van één of meerdere prestaties die deel uit maken van die gehelen of die in dezelfde lijn ervan liggen;
2° " reisbureau ": eenieder die, voor zover hij zijn activiteit als volgt uitoefent, in eigen naam, reizen beoogd in 1°, organiseert en verkoopt aan reizigers, en die door die persoon worden verwezenlijkt door gebruik te maken van met het oog hierop door anderen aan hem verstrekte goederen en diensten.
Als reisbureau wordt derhalve niet aangemerkt voor de toepassing van dit Wetboek, eenieder die handelt als volgt:
1° hij die, in eigen naam, reizen beoogd in het eerste lid, 1°, organiseert en verkoopt aan reizigers en die zelf rechtstreeks met eigen middelen de uitvoering ervan verzekert;
2° hij die in de hoedanigheid van tussenpersoon bemiddelt in de verkoop van reizen beoogd in het eerste lid, 1°.
§ 8. Voor de toepassing van dit Wetboek wordt verstaan onder " beleggingsgoud ":
1° goud, in de vorm van staven of plaatjes van een door de goudmarkten aanvaard gewicht, met een zuiverheid van ten minste 995 duizendsten, al dan niet belichaamd in certificaten.
De kleine staven of plaatjes met een gewicht van ten hoogste 1 gram worden evenwel niet aangemerkt als beleggingsgoud.
2° gouden munten die:
- een zuiverheid van ten minste 900 duizendsten hebben,
- na 1800 zijn geslagen,
- in het land van oorsprong als wettig betaalmiddel fungeren of hebben gefungeerd, en
- normaliter verkocht worden voor een prijs die de openmarktwaarde van het in de munten vervatte goud niet met meer dan 80 % overschrijdt.
Dergelijke munten worden geacht niet verkocht te zijn wegens hun numismatisch belang.
§ 9. Voor de toepassing van dit Wetboek dient onder een gebouw te worden verstaan, ieder bouwwerk dat vast met de grond is verbonden.
