Artikel 34, Wetboek van de Btw
(De tekst van art. 34, werd gewijzigd met ingang van 01.01.1978 (Art. 16, W 27.12.1977))
§ 1. Voor ingevoerde goederen wordt de belasting berekend over de prijs die is of moet worden betaald door degene op wiens naam de belasting wordt voldaan, indien deze prijs de enige tegenprestatie vormt voor het verkrijgen van de goederen in de staat waarin ze zich bevinden op het tijdstip waarop de belasting verschuldigd wordt.
Bij gebreke van een prijs of indien de prijs niet de enige tegenprestatie vormt, wordt de belasting berekend over de normale waarde van de ingevoerde goederen.
Als "normale waarde" wordt beschouwd het bedrag dat, in de handelsfase waarin de invoer plaatsvindt, bij vrije mededinging zou moeten worden betaald aan een zelfstandige leverancier in het land waarvandaan het goed is uitgevoerd, op het tijdstip waarop de belasting verschuldigd wordt, om het desbetreffende goed te verkrijgen.
§ 2. In de maatstaf van heffing zoals bepaald in § 1, moeten worden opgenomen, voor zover zij niet reeds daarin zijn begrepen :
1° in het buitenland verschuldigde rechten, heffingen en andere belastingen ;
2° de rechten, heffingen en andere belastingen die ter zake van de invoer in België verschuldigd zijn, met uitzondering van de te heffen belasting over de toegevoegde waarde ;
3° de bijkomende kosten, zoals kosten van commissie, douaneformaliteiten, verpakking, vervoer en verzekering, tot op de plaats van bestemming in het binnenland.
§ 3. In de maatstaf van heffing worden daarentegen niet opgenomen :
1° de sommen die als disconto van de prijs mogen worden afgetrokken ;
2° de prijsverminderingen die aan de koper of de afnemer worden toegekend en die zijn verkregen op het tijdstip waarop de belasting verschuldigd wordt ;
3° de interesten wegens te late betaling.
§ 4. Indien gegevens voor het bepalen van de maatstaf van heffing zijn uitgedrukt in een vreemde munteenheid, geschiedt de omrekening zoals bepaald in artikel 27.
§ 5. De maatstaf van heffing zoals bepaald in de § 1 tot 4 hierboven mag in geen geval lager zijn dan de waarde die bepaald zou zijn volgens de inzake douanewaarde geldende regelen, ook al heeft de invoer betrekking op goederen die wegens hun aard of hun herkomst of om enige andere reden, niet aan invoerrecht onderworpen zijn, vermeerderd met de niet reeds in die waarde begrepen sommen welke volgens het bepaalde in § 2 in de maatstaf van heffing moeten worden opgenomen.
§ 6. De Koning kan voorschrijven dat, voor de goederen die Hij aanwijst, de belasting moet worden berekend over een forfaitaire waarde, welke wordt vastgesteld volgens de inzake douanewaarde voor die goederen geldende regelen, ook al heeft de invoer betrekking op goederen die wegens hun herkomst of om enige andere reden niet aan invoerrecht onderworpen zijn, vermeerderd met de niet reeds in die waarde begrepen sommen die volgens het bepaalde in § 2 in de maatstaf van heffing moeten worden opgenomen.
