Artikel 54bis, Wetboek van de Btw

Artikel 54bis

(De tekst van art. 54bis, § 1, derde en vierde lid, werd ingevoegd met ingang van 01.01.2020 (Art. 8, W 03.11.2019, B.S. 13.11.2019, pg. 104872. Errata B.S. 27.12.2019 – Ed. 2, pg. 118384). Deze bepaling is van toepassing op de goederen die vanaf 1 januari 2020 worden verzonden of vervoerd van België naar een andere lidstaat of omgekeerd onder de regeling bedoeld in artikel 17bis van de richtlijn 2006/112/EG (Art. 11, W 03.11.2019))

§ 1. Iedere belastingplichtige moet een register houden van de goederen die hij heeft verzonden of vervoerd, of die voor zijn rekening werden verzonden of vervoerd, naar een andere lidstaat voor de handelingen bedoeld in artikel 12bis, tweede lid, 4° tot 6°.

Iedere belastingplichtige moet een register bijhouden om de lichamelijke roerende goederen te kunnen identificeren die vanuit een andere lidstaat naar hem zijn verzonden door of voor rekening van een in die andere lidstaat voor BTW-doeleinden geïdentificeerde belastingplichtige en die het voorwerp zijn van een materieel werk of een expertise.

Iedere belastingplichtige die goederen overbrengt in het kader van de regeling inzake voorraad op afroep bedoeld in artikel 12ter houdt een register bij dat de administratie belast met de belasting over de toegevoegde waarde in staat stelt de correcte toepassing van die regeling te controleren.

Iedere belastingplichtige aan wie goederen worden geleverd in België in het kader van de in artikel 17bis van de richtlijn 2006/112/EG bedoelde regeling inzake voorraad op afroep, houdt een register van deze goederen bij.

§ 2. De Koning kan de belastingplichtigen, die door Hem aan te wijzen goederen bewerken of verwerken, onder zich hebben of gebruiken, voorschrijven een goederenadministratie te houden en de maakloonwerkers opleggen een bijzonder register bij te houden waarin zij optekenen: de naam en het adres van de opdrachtgevers, alsmede, voor ieder van hen, de aard en de hoeveelheid van de gebruikte en van de bewerkte of verwerkte goederen.

§ 3. De Koning regelt de toepassingsmodaliteiten van de §§ 1 en 2.