Artikel 56, Wetboek van de Btw
(De tekst van art. 56, werd vervangen met ingang van 01.01.2019 (Art. 12, W 30.07.2018, B.S. 10.08.2018, pg. 62704 – Erratum B.S. 28.08.2018, pg. 66582))
§ 1. Volgens door de Koning vast te stellen modaliteiten kunnen, na overleg met de betrokken bedrijfsgroeperingen, per bedrijfssector forfaitaire grondslagen van aanslag worden toegepast voor de belastingplichtigen die voldoen aan de volgende voorwaarden:
1° een fysieke persoon zijn;
2° beroepswerkzaamheden uitoefenen die voor ten minste 75 pct. van de omzet bestaan uit handelingen waarvoor geen verplichting bestaat tot uitreiking van een factuur voor de heffing van de belasting over de toegevoegde waarde;
3° een jaaromzet hebben die niet meer bedraagt dan 750 000 euro, exclusief belasting over de toegevoegde waarde;
4° geen leveringen van goederen en diensten verrichten waarvoor zij gehouden zijn aan de klant het kasticket uit te reiken bedoeld in het koninklijk besluit van 30 december 2009 tot het bepalen van de definitie en de voorwaarden waaraan een geregistreerd kassasysteem in de horecasector moet voldoen.
Het eerste lid is van toepassing op vennootschappen onder firma, op gewone commanditaire vennootschappen en op besloten vennootschappen met beperkte aansprakelijkheid tot 31 december 2019.
In afwijking van het eerste lid kunnen de forfaitaire grondslagen van aanslag worden toegepast op de belastingplichtigen die niet voldoen aan de in het eerste lid, 2°, gestelde voorwaarde, wanneer de handelingen waarvoor de uitreiking van een factuur verplicht is, geschieden ten bate van een gering aantal personen of betrekking hebben op hoeveelheden van goederen die niet merkelijk hoger zijn dan deze welke gewoonlijk aan particulieren worden geleverd. In geen geval mogen de handelingen waarvoor de uitreiking van een factuur verplicht is 40 pct. van de omzet overtreffen.
Volgens door de Koning vast te stellen modaliteiten kunnen, eveneens, na overleg met de betrokken bedrijfsgroeperingen, per bedrijfssector, bijzondere forfaitaire grondslagen van aanslag worden toegepast ten aanzien van belastingplichtigen die hun werkzaamheid uitoefenen in gelijkaardige bijzondere omstandigheden, onder meer wegens de aard of de hoedanigheid van de door hen geleverde goederen of de aard van de door hen verrichte diensten, of wegens hun wijze van bevoorrading of de door hen toegepaste winstmarges.
Ten aanzien van belastingplichtigen die hun werkzaamheid uitoefenen in omstandigheden die het onmogelijk maken de vastgestelde forfaitaire grondslagen van aanslag, zelfs de bijzondere, toe te passen, kunnen deze forfaitaire grondslagen, op hun verzoek, worden aangepast aan de werkzaamheid van die belastingplichtigen.
§ 2. De omzet die als maatstaf dient om in aanmerking te komen voor de toepassing van de in paragraaf 1, eerste lid, bedoelde forfaitaire grondslagen, wordt gevormd door het bedrag, exclusief belasting over de toegevoegde waarde, van:
a) de totale omzet van de verschillende beroepswerkzaamheden die door dezelfde belastingplichtige worden uitgeoefend;
b) de totale omzet van de beroepswerkzaamheden die, in onverdeeldheid of in vereniging, door verschillende belastingplichtigen worden uitgeoefend.
Wanneer echtgenoten een onderscheiden beroepswerkzaamheid uitoefenen wordt afzonderlijk rekening gehouden met de omzet van ieder van de echtgenoten, ongeacht hun huwelijksvoorwaarden.
§ 3. De belastingplichtige die onderworpen is aan de in paragraaf 1 bedoelde forfaitaire grondslagen wordt, behoudens tegenbewijs, geacht al de goederen die aan hem werden geleverd, die hij intracommunautair heeft verworven of die hij heeft ingevoerd, te hebben geleverd, al of niet na bewerking of verwerking, of ze te hebben gebruikt bij de uitvoering van diensten, onder voorwaarden waaronder de belasting opeisbaar wordt. Dit vermoeden is in de regel van toepassing op elk aangiftetijdvak.
Wanneer de belastingplichtige niet jaarlijks een inventaris van zijn voorraad opmaakt, wordt die voorraad geacht constant te zijn gebleven.
Wanneer de belastingplichtige jaarlijks een inventaris van zijn voorraad opmaakt, wordt voor het vaststellen van de omzet van het tijdvak waarin de inventaris wordt opgemaakt het bedrag van de inkopen, de intracommunautaire verwervingen en de invoeren, naargelang het geval, vermeerderd of verminderd met het verschil in waarde, uitgedrukt in inkoopprijzen, van de goederen die in de opeenvolgende inventarissen van zijn voorraad werden opgenomen.
Wanneer de belastingplichtige die onderworpen is aan de in paragraaf 1 bedoelde forfaitaire grondslagen handelingen verricht die van de belasting zijn vrijgesteld of waarvoor geen forfaitaire grondslagen van aanslag werden vastgesteld, wordt bij de forfaitaire vaststelling van de omzet geen rekening gehouden met de goederen die aan hem werden geleverd, die hij intracommunautair heeft verworven of die hij heeft ingevoerd en die voor de bedoelde handelingen werden gebruikt. De belastingplichtige moet het bewijs leveren van dat gebruik.
§ 4. De belastingplichtige die aan de in paragraaf 1 bedoelde forfaitaire grondslagen is onderworpen, kan opteren voor de normale regeling van de belasting.
Hij kan evenwel opteren voor de vrijstellingsregeling van belasting bepaald in artikel 56bis wanneer hij aan de gestelde voorwaarden voor de toepassing van die regeling voldoet.
Bij overgang naar de normale regeling van de belasting of naar de vrijstellingsregeling van belasting kan de belastingplichtige teruggaaf verkrijgen van de belasting die hij voldaan heeft voor de goederen die voor de toepassing van de forfaitaire regeling als geleverd worden beschouwd doch die hij nog in voorraad heeft.
De belastingplichtige die aan de normale regeling van de belasting of aan de in artikel 56bis bedoelde vrijstellingsregeling van belasting is onderworpen, kan de in paragraaf 1 bedoelde forfaitaire grondslagen toepassen voor zover hij voldoet aan de voorwaarden die voor de toepassing van die regeling zijn bepaald en voor zover hij op het tijdstip van de overgang een inventaris van zijn voorraad opmaakt.
§ 5. De Koning stelt de praktische toepassingsvoorwaarden en de formaliteiten vast onder meer wat betreft de aanvang, de wijziging of de stopzetting van de activiteit, de belastingregeling en de modaliteiten voor de uitoefening van de in paragraaf 4 bedoelde opties.
Hij legt bovendien de modaliteiten vast voor de vaststelling door de administratie van de in paragraaf 1 bedoelde forfaitaire grondslagen.
