Artikel 59, Wetboek van de Btw

Artikel 59

(De tekst van art. 59, werd gewijzigd met ingang van 01.01.1990 (Art. 119, W 22.12.1989))

§ 1. Overtredingen van de bepalingen van dit wetboek of van de ter uitvoering ervan gegeven regelen, alsmede feiten die de verschuldigdheid van de belasting of van een geldboete aantonen of ertoe bijdragen die aan te tonen, kunnen door de administratie worden bewezen volgens de regelen en door alle middelen van het gemene recht, getuigen en vermoedens inbegrepen, doch uitgezonderd de eed, en daarenboven door de processen-verbaal van de ambtenaren van het Ministerie van Financiën.

De processen-verbaal leveren bewijs op zolang het tegendeel niet is bewezen.

§ 2. Onverminderd de in § 1 genoemde bewijsmiddelen, is de door de Koning aangewezen ambtenaar of de belastingplichtige bevoegd een deskundige schatting te vorderen om de normale waarde van de in artikel 36, § 1 en 2, bedoelde goederen en diensten te bepalen.

Die bevoegdheid bestaat eveneens ten aanzien van de goederen bedoeld in artikel 12, § 2, en de diensten bedoeld in artikel 19, § 2, wanneer ze betrekking hebben op de oprichting van een gebouw.

Als minimummaatstaf van heffing geldt de normale waarde van het goed of van de dienst, zoals ze door de deskundige is bepaald.

De Koning geeft regelen in verband met de schattingsprocedure. Hij bepaalt de termijn waarbinnen die procedure moet worden ingesteld en wijst aan wie de kosten ervan moet dragen.