Artikel 19, Wetboek van de Btw

Artikel 19 (actuele versie)

(De tekst van art. 19, § 2, eerste lid, werd vervangen en een tweede lid werd ingevoegd met ingang van 16.12.2017 (Art. 5, W 29.11.2017, B.S. 06.12.2017, pg. 107694))

§ 1. Met een dienst verricht onder bezwarende titel wordt gelijkgesteld het gebruiken van een tot het bedrijf behorend goed ander dan dat bedoeld in artikel 45, § 1quinquies, voor privé-doeleinden van de belastingplichtige of van zijn personeel of, meer algemeen, voor andere doeleinden dan deze van de economische activiteit van de belastingplichtige, wanneer voor dat goed recht op volledige of gedeeltelijke aftrek van de belasting is ontstaan.

§ 2. Met een dienst verricht onder bezwarende titel wordt eveneens gelijkgesteld de uitvoering door een belastingplichtige van een werk in onroerende staat:

voor de doeleinden van zijn economische activiteit, wanneer, ingeval dergelijk werk wordt verricht door een andere belastingplichtige, hij geen volledig recht op aftrek van de belasting zou hebben;

om niet, voor zijn privédoeleinden of deze van zijn personeel of, meer in het algemeen, voor andere doeleinden dan deze van zijn economische activiteit.

In afwijking van het eerste lid, 1°, worden het werk dat bestaat in de oprichting van een gebouw door een in artikel 12, § 2, bedoelde belastingplichtige, alsook het herstellings-, onderhouds- en reinigingswerk niet gelijkgesteld met een dienst verricht onder bezwarende titel.

Voor de toepassing van dit Wetboek wordt verstaan onder werk in onroerende staat het bouwen, het verbouwen, het afwerken, het inrichten, het herstellen, het onderhouden, het reinigen en het afbreken, geheel of ten dele, van een uit zijn aard onroerend goed, en de handeling die erin bestaat een roerend goed te leveren en het meteen op zodanige wijze aan te brengen aan een onroerend goed dat het onroerend uit zijn aard wordt.

§ 3. Teneinde ernstige ongelijkheden in de concurrentieverhoudingen te voorkomen, kan de Koning, in de gevallen en volgens de regelen die Hij bepaalt, de uitvoering door een belastingplichtige, voor de doeleinden van zijn economische activiteit, van andere handelingen dan deze bedoeld in §§ 1 en 2, aan de belasting onderwerpen, wanneer de belastingplichtige, ingeval een dergelijke handeling door een andere belastingplichtige zou zijn verricht, geen recht zou hebben op volledige aftrek van de belasting.