Artikel 74, Wetboek van de Btw
(De tekst van art. 74, § 4, werd opgeheven met ingang van 06.04.1999 (Art. 51, W 15.03.1999))
§ 1. De strafvordering wordt uitgeoefend door het openbaar ministerie.
§ 2. Het openbaar ministerie kan echter geen vervolging instellen indien het kennis heeft gekregen van de feiten ten gevolge van een klacht of een aangifte van een ambtenaar die niet de machtiging had waarvan sprake is in artikel 29, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering.
§ 3. Tenzij de procureur des Konings met de feiten bekend is geraakt ingevolge een klacht die is ingediend of een aangifte die is gedaan door ambtenaren van de belastingbesturen van het Ministerie van Financiën die daartoe behoorlijk gemachtigd zijn, en indien hij een vervolging instelt wegens feiten die naar luid van dit Wetboek of van de ter uitvoering ervan genomen besluiten strafrechtelijk strafbaar zijn, kan hij het advies vragen van de bevoegde gewestelijke directeur van de belasting over de toegevoegde waarde, registratie en domeinen. De procureur des Konings voegt het feitenmateriaal waarover hij beschikt bij zijn verzoek om advies; de gewestelijke directeur dient binnen vier maanden na de ontvangst van het aan hem gerichte verzoek hierop te antwoorden.
In geen geval schorst het verzoek om advies de strafvordering.
§ 4. (opgeheven)
