Artikel 74, Wetboek van de Btw
(De tekst van art. 74, § 5, werd opgeheven met ingang van 01.01.1993 (Art. 49, W 28.12.1992))
§ 1. De strafvordering wordt uitgeoefend door het openbaar ministerie.
§ 2. Het openbaar ministerie kan echter geen vervolging instellen indien het kennis heeft gekregen van de feiten ten gevolge van een klacht of een aangifte van een ambtenaar die niet de machtiging had waarvan sprake is in artikel 29, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering.
§ 3. Tenzij de procureur des Konings met de feiten bekend is geraakt ingevolge een klacht die is ingediend of een aangifte die is gedaan door ambtenaren van de belastingbesturen van het Ministerie van Financiën die daartoe behoorlijk gemachtigd zijn, en indien hij een vervolging instelt wegens feiten die naar luid van dit Wetboek of van de ter uitvoering ervan genomen besluiten strafrechtelijk strafbaar zijn, kan hij het advies vragen van de bevoegde gewestelijke directeur van de belasting over de toegevoegde waarde, registratie en domeinen. De procureur des Konings voegt het feitenmateriaal waarover hij beschikt bij zijn verzoek om advies ; de gewestelijke directeur dient binnen vier maanden na de ontvangst van het aan hem gerichte verzoek hierop te antwoorden.
In geen geval schorst het verzoek om advies de strafvordering.
§ 4. Indien vóór het sluiten van de debatten voor een strafrechter, bij een andere gerechtelijke overheid een geschil aanhangig wordt gemaakt over de toepassing van een bepaling van dit Wetboek of van een ter uitvoering ervan genomen besluit, moet de rechter bij wie de strafvordering aanhangig is, indien de oplossing van het geschil hem van die aard schijnt te zijn dat ze een invloed kan hebben op de strafvordering, de uitspraak over de tenlasteleggingen of over één ervan uitstellen totdat aan het geschil een einde is gemaakt door een in kracht van gewijsde gegane beslissing. Tijdens dat uitstel is de verjaring van de strafvordering geschorst.
§ 5. (opgeheven)
