Artikel 83, Wetboek van de Btw

Artikel 83

(De tekst van art. 83, § 1, tweede lid en § 2, werd vervangen met ingang van 01.04.2019 (Art. 3, W 26.11.2018, B.S. 04.12.2018, pg. 93842. Art. 19, W 26.11.2018: “Deze wet is niet van toepassing op het dwangbevel dat ter kennis werd gegeven of betekend werd vóór de datum van haar inwerkingtreding.”))

§ 1. Zowel ten aanzien van de voldoening als ten aanzien van de teruggaaf van de belasting, de interesten en de administratieve geldboeten, wordt de verjaring gestuit op de wijze en onder de voorwaarden bepaald bij de artikelen 2244 en volgende van het Burgerlijk Wetboek, met uitsluiting van artikel 2244, § 2. Een nieuwe verjaring, die op dezelfde wijze kan worden gestuit, wordt in dat geval verkregen vijf jaar na de laatste stuiting van de vorige verjaring, indien geen rechtsgeding hangend is.

Elk rechtsgeding met betrekking tot de toepassing, de inning of de invordering van de belasting, de interesten en fiscale geldboeten dat wordt ingesteld door de Belgische Staat of door een schuldenaar van deze belasting en van deze boeten, met inbegrip van iedere persoon die niet is opgenomen in het innings- en invorderingsregister bedoeld in artikel 85, maar die gehouden is tot de betaling van de schuld op grond van dit Wetboek, van de besluiten genomen ter uitvoering ervan of van het gemeen recht, schorst de verjaring.

De schorsing vangt aan met de akte van rechtsingang en eindigt wanneer de rechterlijke beslissing in kracht van gewijsde is gegaan.

§ 2. Afstand van de verlopen tijd van de verjaring en de kennisgeving van de aanmaning tot betaling op de wijze als bedoeld in artikel 85, § 5, worden ten aanzien van hun gevolgen gelijkgesteld met de in paragraaf 1, eerste lid, bedoelde stuiting.

§ 3. Elke daad van onderzoek of van vervolging als bedoeld in artikel 22 van de Voorafgaande Titel van het Wetboek van Strafvordering betreffende de misdrijven bedoeld in artikel 73 en 73bis schorst de verjaring van de vordering tot voldoening van de belasting, de interesten en de fiscale geldboeten die erop betrekking hebben.

De schorsing vangt aan met het op gang brengen van de strafvordering, en eindigt met het staken van de strafrechtelijke vervolging, het verval van de strafvordering of wanneer het vonnis of arrest in kracht van gewijsde is gegaan voor de misdrijven bedoeld in het eerste lid.