Artikel 99, Wetboek van de Btw

Artikel 99

(De tekst van art. 99, werd gewijzigd met ingang van 01.01.1974 (Art. 23, W 28.12.1973, B.S. 29.12.1973))

§ 1. Voor andere dan als bedrijfsmiddel gebezigde goederen, die toebehoren aan belastingplichtigen en hier te lande bij hen in voorraad zijn op het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet, wordt teruggaaf verleend van de overdrachttaks, de factuurtaks, de weeldetaks en de taks op de roerende verhuringen en op het vervoer, die voldaan werden voor de nagenoemde handelingen :

de overdrachten van die goederen vanaf de voortbrenging ervan tot bij de verkrijging door de belastingplichtige ;

de overdrachten van de stoffen gebruikt voor de vervaardiging of de verpakking van die goederen of verbruikt bij het verrichten van die handelingen;

de werkaannemingen, het vervoer en de verhuur waartoe die goederen en de erin verwerkte stoffen aanleiding hebben gegeven.

§ 2. Met het nodige onderscheid naar gelang van de hoedanigheid van de rechthebbende op teruggaaf of diens leverancier, bepaalt de Koning per produkt of groep van produkten de gemiddelde percentages die voor de teruggaaf van de taks moeten worden in acht genomen.

Ten aanzien van goederen die door de belastingplichtige zijn vervaardigd of door hem industrieel zijn bewerkt, wordt de teruggaaf aan de hand van die percentages berekend over de prijs die hier te lande voor die goederen kan worden verkregen onder vrije mededinging tussen twee van elkaar onafhankelijke partijen. De aldus bepaalde maatstaf van teruggaaf mag evenwel niet hoger zijn dan de gemiddelde prijs die in de loop van het laatste trimester van 1970 door de belastingplichtige voor soortgelijke goederen wordt verkregen.

Wat de andere goederen betreft, wordt de teruggaaf aan de hand van die percentages berekend over de maatstaf van heffing van de taks die door de belastingplichtige bij de verkrijging van die goederen voldaan is.

Een bijzondere regeling kan worden ingesteld ten aanzien van goederen en diensten waarvoor een stelsel van tijdelijke vrijstelling of een ander biezonder stelsel der met het zegel gelijkgestelde taksen werd ingeroepen.

§ 3. De Koning regelt de toepassing van de belasting over de toegevoegde waarde, alsmede de teruggaaf, voor gebouwen die, op het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet, met het oog op verkoop waren opgericht volgens de voorzieningen van artikel 61² van het Wetboek der met het zegel gelijkgestelde taksen of in oprichting waren, alsmede voor dienstverrichtingen die niet voltooid waren op dat tijdstip.

§ 4. De teruggaaf wordt verleend bij wijze van aftrek overeenkomstig het bepaalde in hoofdstuk VII van dit Wetboek. Ze wordt slechts toegestaan voor zover de belastingplichtige krachtens artikel 45 aanspraak had kunnen maken op aftrek van de belasting over de toegevoegde waarde die hem zou worden aangerekend indien de goederen geleverd of de diensten verstrekt werden na 31 december 1970.

§ 5. Onverminderd de eventuele toepassing van de artikelen 47, tweede lid, en 76, wordt het bedrag van de terug te geven taksen telkens ten belope van één twaalfde afgetrokken in de aangifte die de belastingplichtige krachtens artikel 50, § 1, 3, moet indienen tijdens de eerste maand van ieder kalenderkwartaal van de jaren 1972, 1973 en 1974.

Ten aanzien van de belastingplichtige die op 1 januari 1974 gehouden is tot het indienen van maandaangiften, hetzij krachtens artikel 16, eerste lid, van het koninklijk besluit nr. 1, van 23 juli 1969, met betrekking tot de regeling voor de voldoening van de belasting over de toegevoegde waarde, hetzij door een vrijwillige optie voor het indienen van maandaangiften, mag bij afwijking van voorgaand lid, het bedrag van de vier twaalfden die op 1 januari 1974 nog terug te geven zijn niet afgetrokken worden in de aangiften welke hij moet indienen krachtens artikel 50, § 1, 3.

Dit bedrag wordt in gelijke bedragen verdeeld over vier schuldbrieven welke beantwoorden aan de technische normen die vastgesteld zijn voor het opmaken van de wisselbrief. Die schuldbrieven worden bekleed met de naamstempel van de Minister van Financiën en worden uiterlijk op 15 februari 1974 aan de belastingplichtige afgegeven. Ze zijn betaalbaar door de Rijkskassier achtereenvolgens op de 20ste van de eerste maand van elk burgerlijk kwartaal van het jaar 1975 en zijn verjaard drie jaar na hun vervaldag.

De Koning bepaalt de modaliteiten van de afgifte en van de betaling van de titels.

§ 6. Dit artikel is niet van toepassing op de kleine detaillisten bedoeld in artikel 56, § 2, eerste tot derde lid.