Artikel 12, Wetboek van de Btw

Artikel 12

(De toepassing van de tijdelijke bepaling, ingevoerd bij artikel 19, van de wet van 29.05.2020, inzake de COVID-19 pandemie, werd verlengd tot 31.12.2020 (Art. 29, W 15.07.2020, B.S. 23.07.2020, pg. 55186, err. B.S. 31.07.2020, pg. 56523))

§ 1. Met een levering onder bezwarende titel wordt gelijkgesteld:

het door een belastingplichtige aan zijn bedrijf onttrekken van een roerend goed voor zijn privé-doeleinden of voor de privé-doeleinden van zijn personeel en, meer algemeen, voor andere doeleinden dan die van zijn economische activiteit, wanneer voor dat goed of de bestanddelen ervan recht op volledige of gedeeltelijke aftrek van de belasting is ontstaan;

het door een belastingplichtige aan zijn bedrijf onttrekken van een goed om het om niet te verstrekken, wanneer voor dat goed of de bestanddelen ervan recht op volledige of gedeeltelijke aftrek van de belasting is ontstaan, met uitzondering van de onttrekkingen die worden gedaan met het oog op:

a) het verstrekken van handelsmonsters of handelsgeschenken van geringe waarde;

b) het verstrekken voor liefdadigheidsdoeleinden van voedingsmiddelen bestemd voor de menselijke consumptie, met uitzondering van geestrijke dranken, waarvan de intrinsieke kenmerken niet meer toelaten dat ze, in gelijk welke schakel van het reguliere economische circuit, worden verkocht tegen de oorspronkelijke commercialisatievoorwaarden;

c) het verstrekken voor liefdadigheidsdoeleinden van levensnoodzakelijke niet-voedingsmiddelen, andere dan goederen die op duurzame wijze kunnen worden gebruikt waarvan de intrinsieke kenmerken verhinderen dat ze, in gelijk welke schakel van het economische circuit, nog worden verkocht tegen de oorspronkelijke commercialisatievoorwaarden;

de ingebruikneming door een belastingplichtige, als bedrijfsmiddel, van een goed dat hij anders dan als bedrijfsmiddel heeft opgericht, heeft laten oprichten, heeft vervaardigd, heeft laten vervaardigen, heeft verkregen of heeft ingevoerd of waarvoor, met toepassing van de belasting, te zijnen bate zakelijke rechten in de zin van artikel 9, tweede lid, 2°, werden gevestigd of aan hem werden overgedragen of wederovergedragen, wanneer voor dat goed of de bestanddelen ervan recht op volledige of gedeeltelijke aftrek van de belasting is ontstaan;

de ingebruikneming door een belastingplichtige, anders dan als bedrijfsmiddel, van een door hem vervaardigd roerend goed, voor het verrichten van handelingen waarvoor geen volledige aanspraak op aftrek van de belasting bestaat, wanneer voor de bestanddelen van dat goed recht op volledige of gedeeltelijke aftrek van de belasting is ontstaan;

het onder zich hebben van een goed door een belastingplichtige of zijn rechthebbenden ingeval hij de uitoefening van zijn economische activiteit beëindigt, wanneer voor dat goed of de bestanddelen ervan recht op volledige of gedeeltelijke aftrek van de belasting is ontstaan; deze bepaling is niet van toepassing wanneer de rechthebbenden de activiteit van belastingplichtige onder de voorwaarden van artikel 11 verderzetten.

De Koning omschrijft het begrip bedrijfsmiddel voor de toepassing van dit Wetboek.

De Koning bepaalt de toepassingsvoorwaarden waaraan de in het eerste lid, 2°, bedoelde onttrekkingen moeten voldoen, met betrekking tot de waarde van de handelsmonsters en de handelsgeschenken, de aard en de kenmerken van de in het eerste lid, 2°, b) en in het eerste lid, 2°, c), bedoelde goederen, de bedoelde liefdadigheidsdoeleinden, de omstandigheden waarin de bedoelde onverkoopbare goederen voor die doeleinden kunnen worden verstrekt, het bedrag dat als kosten in rekening kan worden gebracht en de vormvoorwaarden die moeten worden in acht genomen.

§ 2. De belastingplichtige die geregeld goederen bedoeld in artikel 1, § 9, eerste lid, 1°, die hij heeft opgericht of laten oprichten of met voldoening van de belasting heeft verkregen uiterlijk op 31 december van het tweede jaar volgend op het jaar van hun eerste ingebruikneming of hun eerste inbezitneming, onder bezwarende titel vervreemdt, wordt geacht het goed dat bij het verstrijken van de bovengenoemde termijn niet is vervreemd voor eigen behoeften te onttrekken, wanneer dit goed op dat tijdstip nog niet het voorwerp heeft uitgemaakt van de ingebruikneming bedoeld in paragraaf 1, eerste lid, 3°. Deze belastingplichtige wordt eveneens geacht voor eigen behoeften het bijhorende terrein te onttrekken, als hiervoor een recht op volledige of gedeeltelijke aftrek van de belasting is ontstaan. De onttrekking die hij op dat tijdstip geacht wordt te verrichten wordt met een levering onder bezwarende titel gelijkgesteld.

De belastingplichtige die geregeld onder bezwarende titel zakelijke rechten in de zin van artikel 9, tweede lid, 2°, vestigt op goederen bedoeld in artikel 1, § eerste lid, 9, 1°, die hij heeft opgericht of laten oprichten of met voldoening van de belasting heeft verkregen, uiterlijk op 31 december van het tweede jaar volgend op het jaar van hun eerste ingebruikneming of hun eerste inbezitneming, wordt geacht het goed dat bij het verstrijken van de bovengenoemde termijn niet is vervreemd voor eigen behoeften te onttrekken, wanneer dit goed op dat tijdstip nog niet het voorwerp heeft uitgemaakt van de ingebruikneming bedoeld in paragraaf 1, eerste lid, 3°. Deze belastingplichtige wordt eveneens geacht voor eigen behoeften het bijhorende terrein te onttrekken, als hiervoor een recht op volledige of gedeeltelijke aftrek van de belasting is ontstaan. De onttrekking die hij op dat tijdstip geacht wordt te verrichten wordt met een levering onder bezwarende titel gelijkgesteld.

De in het eerste en het tweede lid bedoelde belastingplichtige in wiens voordeel een zakelijk recht in de zin van artikel 9, tweede lid, 2°, met voldoening van de belasting werd gevestigd of aan wie een dergelijk recht met voldoening van de belasting werd overgedragen, wordt geacht dat recht dat bij het verstrijken van de in het tweede lid gestelde termijn niet is overgedragen of wederovergedragen voor eigen behoeften te onttrekken, wanneer het in artikel 1, § 9, eerste lid, 1°, beoogde goed waarop het zakelijk recht betrekking heeft op dat tijdstip nog niet het voorwerp heeft uitgemaakt van de ingebruikneming bedoeld in paragraaf 1, eerste lid, 3°. Deze belastingplichtige wordt eveneens geacht voor eigen behoeften het zakelijk recht op het bijhorende terrein te onttrekken, als hiervoor een recht op volledige of gedeeltelijke aftrek van de belasting is ontstaan. De onttrekking die hij op dat tijdstip geacht wordt te verrichten wordt met een levering onder bezwarende titel gelijkgesteld.

Tijdelijke bepalingen (Artikelen 18 en 19, W 29.05.2020)

Art. 18, W 29.05.2020 (van toepassing van 01.03.2020 t.e.m. 01.09.2020)

§ 1. In afwijking van artikel 12, § 1, eerste lid, 2°, van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde, vervangen bij de wet van 30 juli 2018 en laatstelijk gewijzigd bij de wet van 7 april 2019, wordt niet gelijkgesteld met een levering van goederen verricht onder bezwarende titel, de onttrekking door een belastingplichtige aan zijn bedrijf van de volgende goederen om ze om niet te verstrekken aan de instellingen en organisaties bedoeld in paragraaf 2, wanneer voor die goederen of de bestanddelen ervan recht op volledige of gedeeltelijke aftrek van de belasting is ontstaan:

de medische hulpmiddelen en hun hulpstukken als bedoeld in het koninklijk besluit van 18 maart 1999 betreffende de medische hulpmiddelen;

de beschermingsmiddelen, andere dan de goederen bedoeld in 1°, voor de zorgverstrekkers en de patiënten noodzakelijk voor de preventie van virale besmettingen en infectieziekten alsook voor de diagnose en de behandeling van patiënten die aan dergelijke ziekten lijden of die symptomen daarvan vertonen.

§ 2. Worden bedoeld in paragraaf 1, de onttrekkingen van goederen gedaan met het oog op een levering om niet aan:

de instellingen voor gezondheidszorg bedoeld in de gecoördineerde wet van 10 juli 2008 op de ziekenhuizen en andere verzorgingsinrichtingen;

de volgende instellingen bedoeld in artikel 44, § 2, 2°, van hetzelfde Wetboek:

a) de instellingen die de bejaardenzorg tot doel hebben;

b) de kinderbewaarplaatsen en de zuigelingentehuizen;

c) de instellingen die de gehandicaptenzorg tot doel hebben;

de instellingen die school- en universitair onderwijs verschaffen;

de humanitaire hulporganisaties, om hun behoeften voor de duur van hun interventie te dekken tijdens de periode waarin zij bijstand verlenen aan personen die getroffen zijn door het COVID-19-virus of het risico daarop lopen en, meer algemeen, ter voorziening van de noodhulpdiensten;

de instellingen die, op het tijdstip dat de goederen om niet worden verstrekt, erkend zijn door de Algemene Administratie van de Douane en Accijnzen op grond waarvan zij met vrijstelling van btw en invoerrechten bepaalde hulpgoederen kunnen invoeren op het Belgisch grondgebied bij toepassing van het besluit (EU) 2020/491 van de Europese Commissie van 3 april 2020 waarbij vrijstelling van rechten bij invoer en van btw op invoer wordt verleend voor goederen die nodig zijn om de gevolgen van de COVID-19-uitbraak in 2020 te bestrijden;

andere overheidsinstellingen en publiekrechtelijke lichamen dan bedoeld in 1° tot 5°.

Met de instellingen voor gezondheidszorg in de zin van het eerste lid, 1°, worden gelijkgesteld:

de associaties van ziekenhuizen bedoeld in het koninklijk besluit van 25 april 1997 houdende nadere omschrijving van de associatie van ziekenhuizen en van de bijzondere normen waaraan deze moet voldoen;

de ziekenhuisgroeperingen bedoeld in het koninklijk besluit van 30 januari 1989 houdende vaststelling van aanvullende normen voor de erkenning van ziekenhuizen en ziekenhuisdiensten alsmede tot nadere omschrijving van de ziekenhuisgroeperingen en van de bijzondere normen waaraan deze moeten voldoen;

de fusies van ziekenhuizen bedoeld in het koninklijk besluit van 31 mei 1989 houdende nadere omschrijving van de fusie van ziekenhuizen en van de bijzondere normen waaraan deze moeten voldoen;

de locoregionale klinische ziekenhuisnetwerken bedoeld in de gecoördineerde wet van 10 juli 2008 op de ziekenhuizen en andere verzorgingsinrichtingen.

§ 3. Bij een onttrekking bedoeld in paragraaf 1, stelt de belastingplichtige voor elke schenking een document op, met de volgende vermeldingen:

de datum waarop de begunstigde bezit heeft genomen van de goederen;

de naam of maatschappelijke benaming, het adres en het btw-identificatienummer van de belastingplichtige;

de naam of maatschappelijke benaming, het adres en het ondernemingsnummer van de begunstigde;

een nauwkeurige en volledige beschrijving en de hoeveelheid van de geleverde goederen;

een verklaring van de begunstigde waarin hij zich ertoe verbindt:

a) de ontvangen goederen te bestemmen voor persoonlijke medische verzorging; of

b) om ze gratis ter beschikking te stellen aan een andere instelling of organisatie bedoeld in paragraaf 2.

De vermelding bedoeld in het eerste lid, 4°, mag worden vervangen door een vermelding, voor elke schenking, van de categorieën van de verdeelde goederen en de overeenkomstige hoeveelheden of door het kasticket of de scanningslijst met betrekking tot de geleverde goederen in bijlage van het document bedoeld in het eerste lid.

Dit document wordt opgesteld uiterlijk de vijftiende dag van de maand na die waarin de levering van goederen werd verricht.

§ 4. In afwijking van paragraaf 3, mag een verzameldocument worden opgesteld waarin de schenkingen verricht in de loop van een maand worden gegroepeerd.

Het verzameldocument bevat, per schenking van goederen, de vermeldingen bedoeld in paragraaf 3, met uitzondering van de data waarop de begunstigden bezit hebben genomen van de goederen, die mogen worden vervangen door een globale verwijzing naar de maand waarop het document betrekking heeft.

Het verzameldocument wordt opgesteld uiterlijk de vijftiende dag van de maand na die waarin die schenkingen van goederen werden verricht.

§ 5. Het document bedoeld in paragraaf 3 of het verzameldocument bedoeld in paragraaf 4 wordt in twee exemplaren opgemaakt, waarvan elke partij verklaart zijn exemplaar te hebben ontvangen. Het wordt gedagtekend en ondertekend door de betrokken partijen.

Art. 19, W 29.05.2020 (van toepassing van 01.03.2020 t.e.m. 31.12.2020 (verlengd bij art. 29, W 15.07.2020))

§ 1. In afwijking van artikel 12, § 1, eerste lid, 2°, van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde, vervangen bij de wet van 30 juli 2018 en laatstelijk gewijzigd bij de wet van 7 april 2019, wordt niet gelijkgesteld met een levering van goederen verricht onder bezwarende titel, de onttrekking door een belastingplichtige aan zijn bedrijf van computers om ze om niet te verstrekken aan scholen gevestigd in België, wanneer voor die goederen of de bestanddelen ervan recht op volledige of gedeeltelijke aftrek van de belasting is ontstaan.

§ 2. Bij een onttrekking bedoeld in paragraaf 1, stelt de belastingplichtige voor elke schenking een document op, met de volgende vermeldingen:

de datum waarop de begunstigde bezit heeft genomen van de goederen;

de naam of maatschappelijke benaming, het adres en het btw-identificatienummer van de belastingplichtige;

de naam of maatschappelijke benaming, het adres en het ondernemingsnummer van de begunstigde;

een nauwkeurige en volledige beschrijving en de hoeveelheid van de geleverde goederen;

een verklaring van de begunstigde waarin hij zich ertoe verbindt:

a) de ontvangen goederen te bestemmen voor het onderwijs; of

b) om ze gratis ter beschikking te stellen aan een andere school gevestigd in België.

De vermelding bedoeld in het eerste lid, 4°, mag worden vervangen door een vermelding, voor elke schenking, van de categorieën van de verdeelde goederen en de overeenkomstige hoeveelheden of door het kasticket of de scanningslijst met betrekking tot de geleverde goederen in bijlage van het document bedoeld in het eerste lid.

Dit document wordt opgesteld uiterlijk de vijftiende dag van de maand na die waarin de levering van goederen werd verricht.

§ 3. In afwijking van paragraaf 2, mag een verzameldocument worden opgesteld waarin de schenkingen verricht in de loop van een maand worden gegroepeerd.

Het verzameldocument bevat, per schenking van goederen, de vermeldingen bedoeld in paragraaf 2, met uitzondering van de data waarop de begunstigden bezit hebben genomen van de goederen, die mogen worden vervangen door een globale verwijzing naar de maand waarop het document betrekking heeft.

Het verzameldocument wordt opgesteld uiterlijk de vijftiende dag van de maand na die waarin die schenkingen van goederen werden verricht.

§ 4. Het document bedoeld in paragraaf 2 of het verzameldocument bedoeld in paragraaf 3 wordt in twee exemplaren opgemaakt, waarvan elke partij verklaart zijn exemplaar te hebben ontvangen. Het wordt gedagtekend en ondertekend door de betrokken partijen.