Artikel 12bis, Wetboek van de Btw

Artikel 12bis

(De tekst van art. 12bis, werd ingevoerd met ingang van 01.01.1993 (Art. 14, W 28.12.1992 en art.3, KB 29.12.1992))

De overbrenging door een belastingplichtige van een goed van zijn bedrijf naar een andere Lid-Staat wordt met een levering van goederen onder bezwarende titel gelijkgesteld.

Als overgebracht naar een andere Lid-Staat wordt beschouwd elk lichamelijk goed dat door of voor rekening van de belastingplichtige buiten België maar binnen de Gemeenschap wordt verzonden of vervoerd voor bedrijfsdoeleinden, voor zover het daarbij niet om een van de volgende handelingen gaat:

de levering van dat goed door de belastingplichtige binnen de Lid-Staat waar de installatie of de montage onder de voorwaarden van artikel 15, § 2, 2, plaatsvindt of binnen de Lid-Staat van aankomst van de verzending of het vervoer onder de voorwaarden van artikel 15, §§ 4 en 5;

de levering van dat goed door de belastingplichtige onder de voorwaarden van artikel 15, § 2, 3;

de levering van dat goed door de belastingplichtige in het binnenland onder de voorwaarden van de artikelen 39, § 1, 39bis en 42, §§ 1, 2 en 3;

de oplevering aan de belastingplichtige van een werk in roerende staat in de zin van artikel 10, § 2, 2, dat in een andere Lid-Staat dan die waar de opdrachtgever-belastingplichtige voor BTW-doeleinden geïdentificeerd is, wordt verricht, wanneer de volgende voorwaarden vervuld zijn:

a) de door de opdrachtnemer gebruikte materialen zijn door de opdrachtgever of voor diens rekening verzonden of vervoerd vanuit de Lid-Staat waar de opdrachtgever voor BTW-doeleinden gedentificeerd is;

b) het door de opdrachtnemer vervaardigde of samengestelde werk is vervoerd of verzonden naar de opdrachtgever en naar de Lid-Staat waar de opdrachtgever voor BTW-doeleinden geïdentificeerd is;

de verrichting van een dienst voor de belastingplichtige in verband met werkzaamheden betreffende dat goed, die daadwerkelijk worden uitgevoerd in de Lid-Staat van aankomst van de verzending of het vervoer van het goed;

het tijdelijk gebruik van dat goed op het grondgebied van de Lid-Staat van aankomst van de verzending of het vervoer van het goed, ten behoeve van een dienstverrichting door de in de Lid-Staat van vertrek van de verzending of het vervoer van het goed gevestigde belastingplichtige;

het tijdelijke gebruik van dat goed voor een periode van ten hoogste 24 maanden op het grondgebied van een andere Lid-Staat waar de invoer van hetzelfde goed uit een derde land met het oog op tijdelijk gebruik in aanmerking zou komen voor de regeling voor tijdelijke invoer met volledige vrijstelling van invoerrechten.

Wanneer één van de voorwaarden voor de toepassing van de bepalingen van het 2de lid hierboven niet meer wordt vervuld, wordt het goed evenwel beschouwd als overgebracht naar een andere Lid-Staat. In dat geval vindt de overbrenging plaats op het tijdstip waarop de voorwaarde niet meer wordt vervuld.