Artikel 51, Wetboek van de Btw

Artikel 51

(De tekst van art. 51, werd gewijzigd met ingang van 01.01.1990 (Art. 116, W 22.12.1989))

§ 1. Ten aanzien van de belasting verschuldigd ter zake van invoer, stelt de Koning de voorwaarden waaronder de goederen op het grondgebied van het Rijk mogen worden gebracht en schrijft Hij onder meer de verplichting voor ze op de door Hem te bepalen wijze aan te geven.

De Koning wijst aan op wiens naam de ter zake van invoer verschuldigde belasting mag of moet worden voldaan, en wie voor deze voldoening aansprakelijk is: Hij bepaalt het tijdstip waarop de belasting moet worden voldaan en de formaliteiten die daarbij moeten worden nagekomen.

§ 2. Er is overtreding van de verplichting de belasting te voldoen wanneer goederen op het grondgebied van het Rijk worden gebracht zonder dat ze zijn aangegeven of, meer algemeen, zonder dat de ter uitvoering van § 1, eerste lid, gegeven regelen zijn nageleefd.

Bij invoer of poging tot invoer zonder aangifte kunnen de goederen en de ervoor gebezigde vervoermiddelen, in de gevallen en overeenkomstig de regelen inzake invoerrecht, in beslag genomen worden en, voor zover zij niet voldoen aan de voorwaarden bepaald in de artikelen 9 en 10 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Economische Gemeenschap, verbeurdverklaard en vervolgens verkocht of teruggegeven worden, ook al zijn die goederen wegens hun aard of hun herkomst of om enige andere reden niet aan invoerrecht onderworpen ; de genoemde regelen vinden eveneens toepassing voor de schadeloosstelling van de persoon wiens goederen onrechtmatig in beslag zijn genomen. De inbeslagneming, de verbeurdverklaring, de verkoop of de teruggaaf worden verricht door of op verzoek van de Administratie der douane en accijnzen of de Administratie van de BTW, registratie en domeinen.

§ 3. Wanneer regelmatig op het grondgebied van het Rijk gebrachte goederen onder douanetoezicht zijn en niemand de aangifteformaliteiten komt voleindigen, kan de Administratie der douane en accijnzen over die goederen beschikken overeenkomstig de regelen inzake invoerrecht, ook al zijn de goederen wegens hun aard of hun herkomst of om enige andere reden niet aan invoerrecht onderworpen.

§ 4. Wanneer de levering door de persoon op wiens naam de ter zake van invoer verschuldigde belasting regelmatig is voldaan en, eventueel, de daaropvolgende leveringen gepaard gaan met de verzending van het goed van het buitenland naar een plaats in België, dan worden die leveringen in afwijking van artikel 16 geacht hier te lande te zijn verricht.

§ 5. Ten aanzien van goederen die in entrepot zijn opgeslagen of die zijn ingevoerd onder een regeling van tijdelijke vrijstelling van de belasting, geeft de Koning de regelen voor de heffing van de belasting die opeisbaar wordt door het niet naleven van de voorwaarden gesteld voor de verkrijging van de vrijstelling, en wijst Hij de personen aan die tot de betaling van die belasting zijn gehouden.