Artikel 53, Wetboek van de Btw
(De tekst van art. 53, § 2, eerste lid, inleidende zin wordt vervangen; § 2bis wordt ingevoegd en § 3 wordt vervangen (Art. 3, W 06.02.2024, B.S. 20.02.2024, pg. 24025, Numac: 2024001635) met ingang van 01.01.2026 (Art. 6, eerste lid, W 06.02.2024).
§ 1. De belastingplichtige, met uitzondering van degene die geen enkel recht op aftrek heeft, is gehouden :
1° een aangifte in te dienen bij de aanvang, de wijziging of de stopzetting van zijn werkzaamheid;
2° iedere maand een aangifte in te dienen waarin hij vermeldt :
a) het bedrag der in dit Wetboek bedoelde handelingen die hij heeft verricht of die aan hem werden verstrekt gedurende de vorige maand in het kader van zijn economische activiteit;
b) het bedrag van de opeisbare belasting, van de te verrichten aftrek en van de te verrichten herzieningen;
c) de gegevens die de Koning noodzakelijk acht om te voldoen aan de door de Gemeenschap uitgevaardigde regelgeving inzake statistieken en om de controle op de toepassing van de belasting te waarborgen;
3° de verschuldigd geworden belasting te voldoen binnen de termijn van indiening van de bij 2° voorgeschreven aangifte.
In afwijking van het eerste lid is de in de artikelen 56bis tot en met 56undecies, bedoelde belastingplichtige gehouden tot de in het eerste lid, 1°, bepaalde verplichtingen.
§ 1bis. Paragraaf 1, eerste lid, 1°, is niet van toepassing op de belastingplichtige die uitsluitend handelingen verricht waarvoor hij gebruikmaakt van de bijzondere regeling bedoeld in titel XII, hoofdstuk 6, afdeling 2 of 4, van de richtlijn 2006/112/EG.
Paragraaf 1, eerste lid, 2° en 3°, is niet van toepassing op de belastingplichtige die uitsluitend handelingen verricht waarvoor hij gebruikmaakt van een bijzondere regeling bedoeld in titel XII, hoofdstuk 6, van de richtlijn 2006/112/EG.
§ 1ter. De administratie belast met de belasting over de toegevoegde waarde brengt aan de belastingplichtige die gehouden is tot het indienen van de in paragraaf 1, eerste lid, 2°, bedoelde aangifte een voorstel van vervangende aangifte ter kennis, na het verstrijken van een termijn van drie maanden volgend op het aangiftetijdvak, wanneer de in paragraaf 1, eerste lid, 2°, bedoelde aangifte niet binnen de vereiste termijn werd ingediend, behalve in de volgende gevallen:
1° wanneer de belastingplichtige niet als zodanig voor btw-doeleinden is geïdentificeerd overeenkomstig artikel 50;
2° wanneer de belastingplichtige de in de paragraaf 1, eerste lid, 2°, bedoelde aangifte heeft ingediend vóór de kennisgeving van deze vervangende aangifte;
3° wanneer de rechten van de Schatkist in gevaar zijn.
Het voorstel van vervangende aangifte bedoeld in het eerste lid herneemt het hoogste verschuldigde bedrag aan belasting opgenomen in de in paragraaf 1, eerste lid, 2°, bedoelde aangiften met betrekking tot de twaalf maanden voorafgaand aan het aangiftetijdvak van de niet binnen de vereiste termijn ingediende aangifte.
Bij gebrek aan een eerder ingediende aangifte in de loop van een aangiftetijdvak dat maximaal twaalf maanden aan het aangiftetijdvak van de niet-ingediende aangifte voorafgaat, of wanneer het in het tweede lid bedoelde bedrag lager is dan 2.100 euro, legt het in het eerste lid bedoelde voorstel van vervangende aangifte het verschuldigde bedrag aan belasting vast op 2.100 euro.
Het in het eerste lid bedoelde voorstel van vervangende aangifte wordt aan de in het eerste lid bedoelde belastingplichtige ter kennis gebracht bij aangetekende zending en heeft uitwerking op de derde werkdag volgend op de afgifte van die zending aan de aanbieder van de universele postdienst. Het bevat de volgende vermeldingen:
1° de vermelding "voorstel van vervangende aangifte";
2° het aangiftetijdvak waarvoor de belastingplichtige geen aangifte heeft ingediend;
3° het verschuldigde bedrag aan belasting die, al naargelang het geval, overeenstemt met:
a) het hoogste verschuldigde bedrag aan belasting opgenomen in de in het tweede lid bedoelde aangiften, wanneer dat bedrag hoger is of gelijk aan 2.100 euro;
b) 2.100 euro, bij gebrek aan in het tweede lid bedoelde aangiften of wanneer het hoogste verschuldigde bedrag aan belasting opgenomen in de in het tweede lid bedoelde aangiften lager is dan 2.100 euro;
4° de wettelijke grondslag waarop de administratie zich steunt om het bedrag van de verschuldigde belasting vast te stellen.
De in het eerste lid bedoelde belastingplichtige kan de in paragraaf 1, eerste lid, 2°, bedoelde niet ingediende aangifte indienen binnen een termijn van een maand vanaf de datum van uitwerking van de in het eerste lid bedoelde kennisgeving van het voorstel van vervangende aangifte om het voorstel van vervangende aangifte te betwisten. De indiening van die aangifte maakt een einde aan de procedure van voorstel van vervangende aangifte.
Wanneer de in het eerste lid bedoelde belastingplichtige de in het vijfde lid bedoelde aangifte niet heeft ingediend binnen de erin vermelde termijn, wordt de vervangende aangifte definitief en worden die aangifte en het verschuldigde bedrag aan belasting zoals vastgesteld in het in het eerste lid bedoelde voorstel van vervangende aangifte, aan de in het eerste lid bedoelde belastingplichtige ter kennis gebracht bij aangetekende zending die de in het vierde lid bedoelde vermeldingen omvat. Die kennisgeving heeft uitwerking vanaf de derde werkdag volgend op de afgifte van de zending aan de aanbieder van de universele postdienst.
De belastingplichtige kan bezwaar indienen tegen de in het zesde lid bedoelde definitieve vervangende aangifte op het elektronische adres, binnen de termijn en volgens de modaliteiten, zoals bepaald door de Koning.
De kennisgeving van de definitieve vervangende aangifte doet geen afbreuk aan het recht van de administratie belast met de belasting over de toegevoegde waarde om de correcte toepassing na te gaan van de verschuldigde belasting ten aanzien van het aangiftetijdvak dat betrekking heeft op de vervangende aangifte en om desgevallend het bedrag ervan te corrigeren.
De in het eerste lid bedoelde belastingplichtige, voldoet zonder uitstel het in het zesde lid bedoelde verschuldigde bedrag aan belasting alsook de overeenkomstig artikel 91, § 1, eerste lid, 1° verschuldigde nalatigheidsinteresten.
§ 2. De belastingplichtige die andere leveringen van goederen of diensten verricht dan die welke krachtens artikel 44 zijn vrijgesteld en andere dan die welke bedoeld zijn in artikel 135, lid 1, punten a) tot g) van Richtlijn 2006/112/EG, reikt een factuur uit aan zijn medecontractant of zorgt ervoor dat in zijn naam en voor zijn rekening, door zijn medecontractant of een derde een factuur wordt uitgereikt:
1° wanneer hij een levering van goederen of een dienst heeft verricht voor een belastingplichtige of een niet-belastingplichtige rechtspersoon;
2° wanneer hij een levering van goederen heeft verricht bedoeld in artikel 15, §§ 1, 2 of 2bis, voor elke niet-belastingplichtige natuurlijke persoon, behalve wanneer hij gebruikmaakt van de bijzondere regeling bedoeld in titel XII, hoofdstuk 6, afdeling 3, van de richtlijn 2006/112/EG;
3° wanneer hij een levering van goederen, zoals bedoeld in artikel 39bis, eerste lid, 2°, heeft verricht voor elke niet-belastingplichtige persoon;
4° wanneer de belasting opeisbaar wordt over de gehele of een deel van de prijs van de handeling, bij toepassing van de artikelen 17, § 1, derde lid en § 4 en 22bis, § 1, derde lid, § 2, tweede lid en § 4, vooraleer een levering van een goed of een dienst bedoeld in 1° en 2°, wordt verricht.
De uitreiking van facturen door de medecontractant, in naam en voor rekening van de leverancier of de dienstverrichter, wordt toegestaan op voorwaarde dat er een voorafgaandelijk akkoord is tussen beide partijen en dat iedere factuur het voorwerp uitmaakt van een procedure van aanvaarding door de belastingplichtige die de levering van het goed of de dienst verricht.
Ieder document dat wijzigingen aanbrengt in en specifiek en ondubbelzinnig verwijst naar de oorspronkelijke factuur geldt als factuur.
Het gebruik van een elektronische factuur is toegestaan mits aanvaarding door de afnemer.
De Koning kan aan de belastingplichtigen de verplichting opleggen een factuur uit te reiken voor de leveringen van goederen of dienstverrichtingen, andere dan deze bedoeld in het eerste lid.
§ 2bis. In afwijking van paragraaf 2, eerste en vierde lid, reikt de in België gevestigde belastingplichtige, met uitsluiting van de belastingplichtigen op wie de in artikel 56 bedoelde regeling van toepassing is en van de gefailleerde belastingplichtigen ten aanzien van de activiteit waarvoor ze failliet zijn verklaard, aan zijn medecontractant een gestructureerde elektronische factuur uit of laat hij in zijn naam en voor zijn rekening, door zijn medecontractant of door een derde, een dergelijke factuur uitreiken:
1° wanneer hij, onder zijn krachtens artikel 50, § 1, eerste lid, 1°, toegekende btw-identificatienummer of, in geval van een btw-eenheid in de zin van artikel 4, § 2, onder het krachtens artikel 50, § 1, eerste lid, 6°, aan één van zijn leden toegekende sub-btw-identificatienummer, andere leveringen van goederen of diensten verricht dan die die krachtens artikel 44 zijn vrijgesteld, voor:
a) ofwel, een belastingplichtige die voor die handeling zijn btw-identificatienummer bedoeld in artikel 50, § 1, eerste lid, 1° of 3°, moet meedelen overeenkomstig artikel 53quater, § 1, eerste lid;
b) ofwel, een btw-eenheid in de zin van artikel 4, § 2, wanneer één van haar leden voor die handeling zijn sub-btw-identificatienummer bedoeld in artikel 50, § 1, eerste lid, 6°, moet meedelen overeenkomstig artikel 53quater, § 4, eerste lid;
2° wanneer de belasting opeisbaar wordt over de gehele of een deel van de prijs van de handelingen bedoeld in de bepaling onder 1° krachtens de artikelen 17, § 1, derde lid, en § 4, en artikel 22bis, § 1, derde lid, en § 4.".
De in het eerste lid bedoelde facturen beantwoorden aan de door de Koning vastgelegde normen inzake semantiek, syntaxis en wijze van overdracht. De in het eerste lid bedoelde belastingplichtige die gehouden is tot het uitreiken van een gestructureerde elektronische factuur mag van die normen afwijken mits akkoord tussen de betrokken partijen en op voorwaarde dat hij de Europese semantische en syntactische normen EN 16931-1 en CEN/TS 16931-2 in acht neemt.
Ieder document dat wijzigingen aanbrengt in en specifiek en ondubbelzinnig verwijst naar de oorspronkelijke in het eerste en het tweede lid bedoelde factuur geldt als gestructureerde elektronische factuur en wordt uitgereikt in hetzelfde formaat als de oorspronkelijke factuur.
De uitreiking, overeenkomstig het eerste lid, van een gestructureerde elektronische factuur door de medecontractant, in naam en voor rekening van de leverancier of dienstverrichter, wordt enkel toegestaan op voorwaarde dat er een voorafgaandelijk akkoord is tussen beide partijen en dat iedere factuur het voorwerp uitmaakt van een procedure van aanvaarding door de belastingplichtige die de levering van het goed of de dienst verricht.
De bestemmeling van een overeenkomstig deze paragraaf uitgereikte gestructureerde elektronische factuur, die overeenkomstig artikel 50, § 1, eerste lid, 1° of 3°, voor btw-doeleinden is geïdentificeerd:
1° is in staat, zelf of via een derde in zijn naam en voor zijn rekening, die factuur te ontvangen in het formaat waarin ze werd uitgereikt;
2° kan geen beroep doen op het bepaalde in paragraaf 2, vierde lid.
§ 3. In het kader van een btw-eenheid in de zin van artikel 4, § 2, is het lid dat goederen of diensten verschaft aan een ander lid ertoe gehouden een bijzonder stuk uit te reiken aan dat lid en een kopie daarvan op te stellen of ervoor te zorgen dat in zijn naam en voor zijn rekening, door het lid in zijn hoedanigheid van medecontractant of door een derde dergelijke stukken worden uitgereikt of opgesteld, als de in paragraaf 2 of 2bis bedoelde factuur niet werd uitgereikt.
De in paragraaf 2, tweede lid, bedoelde voorwaarden zijn van toepassing wanneer het in het eerste lid bedoelde stuk wordt uitgereikt door de medecontractant in naam en voor rekening van het lid dat de goederen levert of de diensten verricht.
De in paragraaf 2bis, tweede tot en met vierde lid, bedoelde voorwaarden zijn van toepassing op de in het eerste lid bedoelde facturen en bijzondere stukken wanneer een gestructureerde elektronische factuur had moeten worden uitgereikt overeenkomstig paragraaf 2bis, eerste lid, als de bestemmeling van de factuur geen lid was geweest van dezelfde btw-eenheid in de zin van artikel 4, § 2.
De Koning kan andere verplichtingen bepalen om de juiste heffing van de belasting te waarborgen en om de fraude te vermijden.
